Gedrukt verslag/statistisch jaarboek (pagina 6 en 7).
Personen op deze lijst
De parser heeft deze regels uit de scan gehaald. Gekoppelde personen linken door naar hun dossier.
Transcriptie
Gedrukt verslag/statistisch jaarboek (pagina 6 en 7). [Pagina 6]
123 en 113 H.A. verminderden. De voor tuinbouwbedrijven bestemde grond is meer dan verdubbeld (van 157 H.A. in 1921 tot 341 in 1930), terwijl de voor akkerbouwbedrijven bestemde vrijwel gelijk bleef. De uitbreiding van den tuinbouw is dus ten koste van de veehouderij en het gemengde bedrijf (akkerbouw-veehouderij) gegaan, wat hieruit valt te verklaren, dat voor de Amsterdamsche tuinderij veengrond, waarop ook de veeteelt wordt uitgeoefend, meer geschikt is dan de met akkerbouw bezette kleigronden.
Wat de verhouding tusschen gepacht en eigen bedrijf betreft, is het volgende gebleken. Rekent men het van ouders gepachte land bij het eigen, dan was thans 64,2 % van den bedrijfsgrond gepacht, tegen 60,7 % in 1921. Het pachtersland heeft zich dus niet onbelangrijk ten koste van het eigen land uitgebreid, wat niet te verwonderen valt in een groote, zich sterk uitbreidende stadsgemeente als Amsterdam, welke ten behoeve van haar uitbreidingsplannen en woningpolitiek zooveel mogelijk grond in haar bezit tracht te krijgen, mede om grondspeculatie tegen te gaan. Er werken hier dus andere factoren dan in een plattelandsgemeente.
Naar het aantal¹) gerekend, nam het pachtbedrijf verhoudingsgewijs (absoluut stegen de pachtbedrijven van 427 in 1921 tot 509 in 1930) van 64,6 % van het totaal aantal bedrijven in 1921 af tot 58,5 % in 1930.
Beschouwt men de hier volgende percentages gepacht land¹) in de voornaamste bedrijfstakken afzonderlijk, dan blijkt, dat in de tuinderij het eigen bedrijf sterk is vooruitgegaan, in de veehouderij de verhouding tusschen eigen en gepacht vrijwel onveranderd is gebleven en in den akkerbouw een belangrijke verschuiving in de richting van het pachtbedrijf heeft plaats gehad.
| Akkerbouw. Labourage. | Veehouderij. Elevage. | Tuinderij. Horticulture. | Totaal. Total. | |
|---|---|---|---|---|
| Aantal. Nombre. Oppervlakte. Superficie. | Aantal. Nombre. Oppervlakte. Superficie. | Aantal. Nombre. Oppervlakte. Superficie. | Aantal. Nombre. Oppervlakte. Superficie. | |
| 1921 ...... | 67,1 % 66,9 % | 65,3 % 59,7 % | 63,1 % 55,2 % | 64,6 % 64,2 |
| 1930 ...... | 82,3 % 80,5 % | 63,9 % 59,0 % | 40,7 % 43,4 % | 58,5 % 60,7 |
De aandacht trekt het feit, dat in verhouding tot 1921 zoowel naar aantal als oppervlakte de van ouders gepachte bedrijven zoo sterk zijn toegenomen, nl. wat het aantal betreft van 5,4 % in 1921 tot 10,2 % in 1930, wat aangaat de oppervlakte van 6,6 % tot 12,2 %. Dit verschijnsel heeft zich hoofdzakelijk in de veeteelt en den tuinbouw voorgedaan; echter is er ook in den akkerbouw vermeerdering waar te nemen.
De veestapel omvat (tabel 3) 2394 paarden, 9557 runderen, 2259 schapen, 2844 varkens, 28161 kippen tegen resp. 3341, 10106, 3551, 3263 en 16336 in 1921. Bokken en geiten komen bijna niet voor en worden, evenals de eenden, waarvan er slechts 2758 geteld werden, nagenoeg uitsluitend voor eigen gebruik gehouden. Behalve wat de kippen betreft vertoont de veestapel dus een vrij sterken achteruitgang.
Ten opzichte van de paarden bestaan hiervoor twee voorname oorzaken: in de eerste plaats de vervanging van het paard door den motor, hetwelk vooral in de rubriek „Andere” van tabel 3, waarin de paarden van stalhouders, brouwerijen, vrachtrijders e.d. zijn opgenomen, tot uitdrukking komt, maar ook in de landbouwbedrijven zelf heeft de motor in veel gevallen de plaats van het paard ingenomen, hetwelk blijkt uit de vermindering van het aantal paarden boven de 3 jaar. In de tweede plaats moet als oorzaak worden genoemd het teniet gaan van de, vooral in de streek in en om den Groote-IJpolder beoefende paardenfokkerij, hoofdzakelijk als gevolg van de prohibitieve maatregelen van Duitschland, dat het voornaamste afzetgebied van de hier gefokte jonge paarden was.
De achteruitgang van den runderstapel beperkt zich in hoofdzaak tot het jong vee, dat een vermindering van 767 stuks vertoont; ook het aantal melk- en kalfkoeien verminderde; daarentegen vermeerderde het mestvee niet onaanzienlijk.
Het aantal in den land- en tuinbouw werkzame personen (tabel 4) bleek 2842 te zijn. Hiervan zijn 854 bedrijfshoofden, 474 medewerkende gezinsleden, 641 vaste en 873 losse arbeiders of arbeidsters, welke laatsten slechts een deel van het jaar werk hebben.
¹) Ook nu weder de van ouders gepachte bedrijven als eigen beschouwd.
[Pagina 7]
Het aantal personen, dat het geheele jaar in den landbouw zijn bestaan vindt (bedrijfshoofden, medewerkende gezinsleden en vaste arbeiders), bedraagt dus 1969. Zooals uit onderstaande percentages blijkt, behooren zij voor het grootste deel tot de veehouderij, terwijl ook de groenteteelt een aanzienlijk percentage omvat, doch de akkerbouw in dit opzicht van minder beteekenis is. Daarentegen is van de losse arbeiders verreweg het grootste aantal in laatstgenoemden bedrijfstak werkzaam.
| Bedrijven. Entreprises. | Personen. Personnes. | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| Aantal. Nombre. | Oppervlakte. Superficie. | Bedrijfsh., medew. gezinsleden en vaste arbeiders. Chefs, membres de famille et ouvriers à demeure. | Losse arbeiders. Ouvriers journaliers. | Totaal. Total. | |
| Akkerbouw ...... | 8,1 | 25,9 | 10,8 | 61,6 | 26,4 |
| Veehouderij ...... | 53,7 | 65,5 | 48,2 | 22,6 | 40,4 |
| Groenteteelt ...... | 34,7 | 3,9 | 34,7 | 6,8 | 26,1 |
| Overige. ...... | 3,5 | 4,7 | 6,3 | 9,0 | 7,1 |
| Alle bedrijven tez. | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
Het aantal medewerkende gezinsleden is verhoudingsgewijs in alle bedrijfstakken ongeveer gelijk en maakt, als men de losse arbeidskrachten buiten beschouwing laat, ongeveer 24 % van het totaal aantal uit.
Van het totaal aantal in het bedrijf werkzame personen zijn 186½ vrouwen (1 dienstbode is slechts voor de helft van haar tijd in het bedrijf werkzaam, voor de andere helft in de huishouding), zijnde bijna 7 %; zij zijn grootendeels werkzaam in de veehouderij, nl. 144. De meeste vrouwen, nl. 119, zijn medewerkende gezinsleden, waarvan 90 in de veehouderij, waarin van oudsher de vrouwen (melken) aan het bedrijf hebben deelgenomen. Onder de 873 losse arbeidskrachten komen 56 vrouwen voor, waarvan 47 in den akkerbouw. Bij de vaste arbeiders zijn slechts weinig vrouwen, nl. 95 van de 641, vrouwelijke bedrijfshoofden zijn er nog minder geteld, nl. 3 van de 854.
Het aantal personen beneden 21 jaar is 496½ (waaronder 68½ vrouwen) zijnde ruim 17 % van het totaal aantal. Van de 474 medewerkende gezinsleden bleken 269 of bijna 57 % minderjarig te zijn, grootendeels werkzaam in de veehouderij (152) en de groenteteelt (99). Minderjarige medewerkende gezinsleden komen slechts voor in de veehouderij (39) en de groenteteelt (11). Het grootst is het percentage minderjarigen onder de vaste arbeiders, waar zij 26 % van het totaal uitmaken (166½ van de 641). Van dit aantal van 166½ bleken er 76 of bijna 46 % in de groenteteelt werkzaam te zijn, 25 of 15 % in de bloemisterij en 46 of bijna 28 % in de veehouderij. Het grootste deel behoort dus tot den tuinbouw, nl. 61 %. Onder de 873 losse arbeidskrachten waren er 58 of bijna 7 % minderjarig. Van de bedrijfshoofden waren er slechts 3 beneden 21 jaar.
Ten einde een beeld te geven van de arbeidsintensiviteit, is voor elken bedrijfstak het aantal arbeidsweken per 100 H.A. per jaar berekend, waarbij het aantal weken van een bedrijfshoofd, medewerkend gezinslid en vasten arbeider is gesteld op 52, voor een lossen arbeider op het bij de telling opgenomen aantal. De uitkomst was als volgt:
| Akkerbouw | .................... | 961,2 | arbeidsweken | per | 100 H.A. | .......... | Labourage. | |
| semain. de trav. par | ||||||||
| Veehouderij | .................... | 729,6 | ” | ” | ” | ” | .......... | Elevage. |
| Groenteteelt | .................... | 11248,4 | ” | ” | ” | ” | .......... | Culture maraîchère. |
| Akkerbouw/veehouderij | .... | 895,8 | ” | ” | ” | ” | .......... | Labourage/Bov. |
| Akkerbouw/bollenteelt | .... | 1694,5 | ” | ” | ” | ” | .......... | Labourage/Bulbes. |
Hierbij trekt de groote intensiviteit in de groenteteelt de aandacht.
Aangezien de bedrijfsontwikkeling in deze gemeente echter niet in elken bedrijfstak denzelfden graad van volkomenheid bereikt heeft, dient met het maken van algemeene gevolgtrekkingen eenige voorzichtigheid betracht.
Een belangrijke vraag is ook, hoe het staat met de continuïteit van den arbeid. Een inzicht hierin geeft de verhouding van het aantal arbeidsweken per 100 H.A. per jaar, gewerkt door losse arbeidskrachten, tot het totaal aantal werkweken. Deze bleek te zijn als volgt: Dit document biedt een gedetailleerd overzicht van de transformatie van de Amsterdamse agrarische sector in het interbellum (1921-1930). Enkele kernpunten vallen op:
- Verschuiving in Grondgebruik: Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar van veehouderij naar tuinbouw (groenteteelt). De tuinbouwgrond is in tien jaar tijd meer dan verdubbeld. Dit hangt samen met de geschiktheid van de veengrond.
- Verstedelijking en Grondpolitiek: Het document benoemt expliciet de rol van de gemeente Amsterdam. De stad koopt grond op voor woningbouw en uitbreidingsplannen, wat leidt tot een toename van het pachtstelsel (de gemeente als verpachter) om grondspeculatie te voorkomen.
- Mechanisatie en Paardenfokkerij: De veestapel krimpt, met name het aantal paarden. Dit wordt toegeschreven aan de opkomst van de motor (mechanisatie) en exportbeperkingen naar Duitsland, wat de paardenfokkerij in de Groote-IJpolder de das omdeed.
- Arbeidsverhoudingen: De tuinbouw is extreem arbeidsintensief vergeleken met de akkerbouw en veehouderij (11.248 vs. circa 730-960 weken per 100 H.A.). Er is ook aandacht voor de rol van vrouwen (vooral in de veehouderij/melken) en minderjarigen in het arbeidsproces. Deze pagina's zijn waarschijnlijk afkomstig uit een gemeentelijk verslag of een statistische publicatie van het Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam. De periode 1921-1930 was cruciaal voor de stad; Amsterdam groeide hard (denk aan het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934 dat in deze jaren werd voorbereid). De omliggende polders, zoals de Groote-IJpolder, verloren hun puur agrarische karakter en kwamen onder druk te staan van de oprukkende stad. De vermelding van "prohibitieve maatregelen van Duitschland" verwijst naar de economische instabiliteit en handelsbarrières in Europa na de Eerste Wereldoorlog.
Samenvatting
Dit document biedt een gedetailleerd overzicht van de transformatie van de Amsterdamse agrarische sector in het interbellum (1921-1930). Enkele kernpunten vallen op:
- Verschuiving in Grondgebruik: Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar van veehouderij naar tuinbouw (groenteteelt). De tuinbouwgrond is in tien jaar tijd meer dan verdubbeld. Dit hangt samen met de geschiktheid van de veengrond.
- Verstedelijking en Grondpolitiek: Het document benoemt expliciet de rol van de gemeente Amsterdam. De stad koopt grond op voor woningbouw en uitbreidingsplannen, wat leidt tot een toename van het pachtstelsel (de gemeente als verpachter) om grondspeculatie te voorkomen.
- Mechanisatie en Paardenfokkerij: De veestapel krimpt, met name het aantal paarden. Dit wordt toegeschreven aan de opkomst van de motor (mechanisatie) en exportbeperkingen naar Duitsland, wat de paardenfokkerij in de Groote-IJpolder de das omdeed.
- Arbeidsverhoudingen: De tuinbouw is extreem arbeidsintensief vergeleken met de akkerbouw en veehouderij (11.248 vs. circa 730-960 weken per 100 H.A.). Er is ook aandacht voor de rol van vrouwen (vooral in de veehouderij/melken) en minderjarigen in het arbeidsproces.
Historische context
Deze pagina's zijn waarschijnlijk afkomstig uit een gemeentelijk verslag of een statistische publicatie van het Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam. De periode 1921-1930 was cruciaal voor de stad; Amsterdam groeide hard (denk aan het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934 dat in deze jaren werd voorbereid). De omliggende polders, zoals de Groote-IJpolder, verloren hun puur agrarische karakter en kwamen onder druk te staan van de oprukkende stad. De vermelding van "prohibitieve maatregelen van Duitschland" verwijst naar de economische instabiliteit en handelsbarrières in Europa na de Eerste Wereldoorlog.