Archief 745
Inventaris 745-327
Pagina 77
Jaar 1940
Document
Stadsarchief

Pagina's 8 en 9 van een gedrukt statistisch verslag of agrarische studie.

Administratieve Lijst Gedrukt nvt 10 persoonsregels
gedrukt 10 controle nodig

Personen op deze lijst

De parser heeft deze regels uit de scan gehaald. Gekoppelde personen linken door naar hun dossier.

Transcriptie

Pagina's 8 en 9 van een gedrukt statistisch verslag of agrarische studie. [Pagina 8]

8

Totaal aantal arbeidsweken per 100 H.A. Nombre total des semaines de de travail par 100 hect. Aant. arbeidsw. der losse arbeidskrachten. Nombre des sem. de trav. des ouvr. journ.
Per 100 HA. Par 100 hect. In % v. tot. En % du total
Akkerbouw ............ 961,2 460,9 47,9
Veehouderij ............ 729,6 25,1 3,4
Groenteteelt ............ 11248,4 435,0 3,9
Akkerbouw/veehouderij .. 895,8 190,2 21,2
Akkerbouw/bollenteelt ..... 1694,5 1219,0 71,9

Laat men de beide categorieën gemengde bedrijven, welke slechts een gering deel van de in den landbouw werkende personen omvatten en dus van ondergeschikte beteekenis zijn, buiten beschouwing, dan springt de gunstige toestand van de veehouderij en de groenteteelt in het oog en tevens de ongunstige in den akkerbouw, hetwelk dan ook de voorziening met werkkrachten van laatstgenoemden bedrijfstak zoo moeilijk maakt.

b. De afzonderlijke bedrijfstakken.
1. De akkerbouw.

Een beeld van de ontwikkeling sinds 1921 van den omvang van het bedrijf geven de volgende cijfers:

Aantal bedrijven Nombre des entreprises Oppervlakte in HA. Superficie en
1921 1930 Toe- of afn. in % van 1921 Accroiss. ou décroiss. en % 1921
Kleinbedrijf (1-20 HA.) .... 37 15 — 59,5 422,65
Petite culture
Middelbedrijf (20—40 HA) 23 34 + 47,8 620,61
Moyenne culture
Grootbedrijf (40 HA—) .. 22 19 — 13,6 1161,60
Grande culture
Alle bedrijven te zamen ... 82 68 — 17,1 2204,86
Ensemble

Het kleinbedrijf is dus belangrijk in omvang verminderd, het middelbedrijf belangrijk toegenomen, terwijl het grootbedrijf een niet onaanzienlijken achteruitgang te zien geeft. Of de voor de hand liggende gevolgtrekking juist is, dat er een strekking valt waar te nemen van verdringing van klein- en grootbedrijf door het middelbedrijf, is, wat het grootbedrijf betreft, twijfelachtig en wel omdat, zooals uit tabel 5 blijkt, de vermindering uitsluitend de bedrijven van 50—60 H.A. betreft, daarentegen die van 40—50 en de grootste bedrijven, nl. die van 60 H.A. en daarboven, zijn toegenomen, zoodat het zeer wel mogelijk is, dat ten aanzien van het grootbedrijf toevallige omstandigheden een rol hebben gespeeld.

Als vaststaande kan dus slechts worden aangenomen, dat in vrij grooten omvang de kleine door grootere bedrijven zijn verdrongen. In de groep van de zeer kleine (1—5 H.A.) komt nog slechts 1 bedrijf voor. De zeer groote bedrijven zijn van 3 tot 5 vermeerderd; het grootste omvat 85 H.A.

Volgens de laatste telling vormt het kleinbedrijf naar het aantal 22,1 %, naar de oppervlakte 8,2 % van het geheele akkerbouwbedrijf, het middelbedrijf resp. 50,0 % en 46,1 %, het grootbedrijf resp. 27,9 % en 45,7 %.

Uit tabel 8 blijkt, dat in den Amsterdamschen akkerbouw niet minder dan 22 soorten moderne landbouwwerktuigen (dus ploegen, eggen e.d. van oudsher op de boerderij gebruikte werktuigen, buiten beschouwing gelaten) toepassing vinden. Van de 500 landbouwwerktuigen ¹), welke gebruikt werden, waren 76,6 % in eigen, 18,6 % in gemeenschappelijk bezit en slechts 4,8 % in huur. Verhoudingsgewijs komt het gebruik in huur het meest voor bij den dorschwagen, hoewel ook hierbij het eigen en het


¹) Dit is geen inventarisatie, daar de werktuigen in gemeenschappelijk bezit en in huur er meer dan één keer in voorkomen.

[Pagina 9]

9

gemeenschappelijk bezit verreweg overwegen; van de 53 gebruikte dorschwagens waren 12 in huur, 10 in gemeenschappelijk en 31 in eigen bezit. Dat bij de dorschwagens het huren verhoudingsgewijs meer voorkomt dan bij andere werktuigen, zal wel hieraan toegeschreven moeten worden, dat verschillende boeren den oogst door daarop ingerichte ondernemers (loondorschers) laten dorschen, die daarbij hun machines medebrengen. De aandacht trekt het feit, dat zelfs kleine bedrijven toch vrij kostbare werktuigen als dorschwagens en graanmaaier-zelfbinders reeds in eigendom hebben, voornamelijk omdat het bij het ongestadige weder, dat ons klimaat medebrengt, voor den boer van het hoogste belang is, niet alleen zijn oogst zoo snel mogelijk van het land te hebben, maar tevens in staat te zijn, van het gunstigste oogenblik gebruik te maken.

Hieronder volgen enkele uit tabellen 8 en 9 berekende cijfers omtrent omvang en aard van den arbeid in verhouding tot het gebruik van landbouwwerktuigen in het klein, middel- en grootbedrijf.

| | Aantal werktuigen Nombre des machines agricoles | | Aantal arbeidsweken per 100 H.A. Nombre des sem. de travail p. 100 hect. |
| :--- | :---: | :---: | :---: | :---: |
| | Per bedrijf. Par entreprise. | Per 100 HA. Par 100 hect. | Totaal ²). Total | waarond. v losse arb. dont des ouvriers journ. |
| Kleinbedrijf (1—20 H.A.)........ | 3,8 | 31,4 | 1241 | 386 |
| Petite culture | | | | |
| Middelbedrijf (20—40 H.A.)...... | 7,8 | 26,0 | 964 | 470 |
| Moyenne culture | | | | |
| Grootbedrijf (40 H.A.—) ....... | 9,3 | 7,5 | 908 | 466 |
| Grande culture | | | | |

Uit deze cijfers blijkt, dat met de grootte van het bedrijf het aantal en dus de verscheidenheid van landbouwwerktuigen toeneemt, terwijl, vooral in het grootbedrijf, zoowel het aantal machines als het aantal arbeidskrachten per 100 H.A. vermindert, waaruit kan worden afgeleid, dat bij toeneming van de bedrijfsgrootte het gebruik van machines voordeeliger en de arbeid productiever wordt.

Hoewel per 100 H.A. afnemend, neemt verhoudingsgewijs de losse arbeid met de bedrijfsgrootte toe: terwijl het aantal arbeidsweken van losse arbeiders in het kleinbedrijf 31,1 % van het totaal aantal arbeidsweken per 100 H.A. uitmaakt, vormt het in het middelbedrijf 48,8 %, in het grootbedrijf zelfs 51,3 %. Zooals van zelf spreekt, is de losse arbeid uitsluitend seizoenaarbeid, beginnende in den wiedtijd en eindigende in het najaar, als de suikerbieten zijn gerooid. De behoefte is het grootst in zomer en najaar: zooals uit tabel 10 blijkt, waren er per 100 H.A. in het voorjaar 11,7 losse arbeiders werkzaam, in den zomer 24,3 en in het najaar 24,2.

Aangezien het stichten van landarbeidersplaatsjes een der middelen is om in de behoefte aan losse arbeidskrachten te voorzien en het verkrijgen van een overzicht van het grondgebruik van landarbeiders dan ook een der doeleinden van de telling was, is het hier de plaats om op te merken, dat het stichten van dergelijke plaatsjes in deze gemeente niet mogelijk is, omdat de stichtingskosten de bij art. 4, 1e lid der Landarbeiderswet gestelde grens van f 4000 te boven gaan en de Kroon tot nu toe geen aanleiding heeft gevonden, gebruik te maken van de haar bij het 2e lid van genoemd artikel gegeven bevoegdheid om in bijzondere gevallen verlof te verleenen, die grens te overschrijden.

Aangezien dit middel om hen in het bedrijf te houden hier ontbreekt, trachten de losse landarbeiders in den winter en het voorjaar als grondwerker, sjouwer-man e.d. in de stad werk te vinden en geraken zoodoende dan dikwijls voor goed buiten het landbouwbedrijf. Het gevolg is, dat meer en meer in de behoefte aan losse arbeiders van elders moet worden voorzien; bij de grootere bedrijven is dit vrijwel regel geworden.

Wat overigens het grondgebruik van landarbeiders betreft, kan aan het voorgaande worden toegevoegd, dat vaste arbeiders, als toeslag op hun vaste loon, een hoek van den grond van hun werkgever in gebruik hebben voor de teelt van aardappelen en groenten; losse, hier gevestigde landarbeiders hebben hem in pacht. Aangezien dit land deel blijft uitmaken van de gronden van het bedrijf van den werkgever en dikwijls voor zijn rekening tegelijk met de overige akkers van het bedrijf bouwklaar worden gemaakt, is het niet afzonderlijk geteld, maar ook voor de telling als deel van het bedrijf van den werkgever beschouwd.

Landarbeiders, die zelfstandig een stukje akkerland of tuingrond bebouwen, komen hier nagenoeg niet voor, zijn althans bij de telling slechts in zeer gering aantal aangetroffen. Deze bedrijfjes zijn opgenomen onder de land- en tuinbouwbedrijven door het hoofd als nevenbedrijf uitgeoefend (rubriek VI).


²) D.w.z. van bedrijfshoofden, medewerkende gezinsleden, vaste- en losse arbeiders te zamen. Deze bron biedt een gedetailleerd inzicht in de agrarische structuur rondom Amsterdam in het begin van de 20e eeuw. De kernpunten zijn:

  • Schaalvergroting: Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar waarbij het kleinbedrijf (1-20 hectare) terrein verliest aan het middelbedrijf (20-40 hectare). Het aantal kleine bedrijven daalde tussen 1921 en 1930 met bijna 60%.
  • Arbeidsintensiteit: De groenteteelt is verreweg de meest arbeidsintensieve sector (ruim 11.000 arbeidsweken per 100 ha), terwijl de veehouderij en de akkerbouw veel minder mankracht per oppervlakte vereisen.
  • Mechanisatie: Grotere bedrijven zijn efficiënter door een hogere mate van mechanisatie. Hoewel zij per bedrijf meer machines hebben, hebben zij per 100 hectare minder machines en minder arbeidsweken nodig dan kleinere bedrijven.
  • Sociale Problematiek: Er is een tekort aan (losse) landarbeiders. Door hoge grond- en bouwkosten in de regio Amsterdam kunnen geen 'landarbeidersplaatsjes' (kleine woningen met land) gesticht worden binnen de wettelijke grens van 4000 gulden. Hierdoor trekken arbeiders in de winter naar de stad voor ander werk en keren zij vaak niet meer terug naar de landbouw. Dit document stamt uit de periode van het interbellum, een tijd waarin de Nederlandse landbouw een transitie doormaakte van traditionele methoden naar verdere mechanisatie. De tekst refereert aan de Landarbeiderswet (oorspronkelijk uit 1918), die bedoeld was om landarbeiders aan een eigen woning met een stukje grond te helpen om de trek naar de stad te remmen.

De vermelding van de "Amsterdamschen akkerbouw" duidt waarschijnlijk op de poldergebieden direct rondom de stad, zoals de Haarlemmermeer of de gebieden in de huidige West- of Noord-regio's van Amsterdam. De nabijheid van de groeiende stad zorgde voor specifieke uitdagingen, zoals de concurrentie op de arbeidsmarkt en de hoge vastgoedprijzen, wat in dit document duidelijk naar voren komt als een belemmering voor het huisvesten van landarbeiders.

Samenvatting

Deze bron biedt een gedetailleerd inzicht in de agrarische structuur rondom Amsterdam in het begin van de 20e eeuw. De kernpunten zijn:

  • Schaalvergroting: Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar waarbij het kleinbedrijf (1-20 hectare) terrein verliest aan het middelbedrijf (20-40 hectare). Het aantal kleine bedrijven daalde tussen 1921 en 1930 met bijna 60%.
  • Arbeidsintensiteit: De groenteteelt is verreweg de meest arbeidsintensieve sector (ruim 11.000 arbeidsweken per 100 ha), terwijl de veehouderij en de akkerbouw veel minder mankracht per oppervlakte vereisen.
  • Mechanisatie: Grotere bedrijven zijn efficiënter door een hogere mate van mechanisatie. Hoewel zij per bedrijf meer machines hebben, hebben zij per 100 hectare minder machines en minder arbeidsweken nodig dan kleinere bedrijven.
  • Sociale Problematiek: Er is een tekort aan (losse) landarbeiders. Door hoge grond- en bouwkosten in de regio Amsterdam kunnen geen 'landarbeidersplaatsjes' (kleine woningen met land) gesticht worden binnen de wettelijke grens van 4000 gulden. Hierdoor trekken arbeiders in de winter naar de stad voor ander werk en keren zij vaak niet meer terug naar de landbouw.

Historische context

Dit document stamt uit de periode van het interbellum, een tijd waarin de Nederlandse landbouw een transitie doormaakte van traditionele methoden naar verdere mechanisatie. De tekst refereert aan de Landarbeiderswet (oorspronkelijk uit 1918), die bedoeld was om landarbeiders aan een eigen woning met een stukje grond te helpen om de trek naar de stad te remmen.

De vermelding van de "Amsterdamschen akkerbouw" duidt waarschijnlijk op de poldergebieden direct rondom de stad, zoals de Haarlemmermeer of de gebieden in de huidige West- of Noord-regio's van Amsterdam. De nabijheid van de groeiende stad zorgde voor specifieke uitdagingen, zoals de concurrentie op de arbeidsmarkt en de hoge vastgoedprijzen, wat in dit document duidelijk naar voren komt als een belemmering voor het huisvesten van landarbeiders.

Metadata

TypePagina's 8 en 9 van een gedrukt statistisch verslag of agrarische studie.
Lijsttypeadministratieve lijst
Scopepersonen
Schriftgedrukt
Handschriftnvt
Confidence90%