Archief 745
Inventaris 745-327
Pagina 78
Jaar 1940
Document
Stadsarchief

Overzichtslijst

Overzichtslijst Gegevens betreffen de periode 1921-1930. Publicatiedatum kort na 1930. Onbekend nvt 23 persoonsregels
23 controle nodig

Personen op deze lijst

De parser heeft deze regels uit de scan gehaald. Gekoppelde personen linken door naar hun dossier.

Transcriptie

Gegevens betreffen de periode 1921-1930. Publicatiedatum kort na 1930. [Pagina 10]

10

Uit enkele gegevens der tabellen 7 en 8 zijn de volgende cijfers berekend, welke een overzicht geven van het gebruik van paarden- en motorische trekkracht in den akkerbouw. Zij bevatten daartoe het aantal paarden, resp. tractoren per 100 H.A. oppervlakte.

Paarden boven 3 jaar Tractoren.
Chevaux de plus de 3 ans. Tracteurs.
1921 1930 1930
Kleinbedrijf. Petite culture (1—20 H.A.) 20,8 19,8
Middelbedrijf. Moyenne culture (20—40 H.A.) 18,9 15,8 1,47
Grootbedrijf. Grande culture (40 H.A. —) 17,5 12,6 1,09
Alle bedrijven te zamen. Ensemble 18,5 14,6 1,17

Opvallend is de sterke vermindering van paardentrekkracht in het middel- en grootbedrijf. Hoewel omtrent de tractoren geen gegevens over 1921 ter beschikking zijn, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat deze vermindering voortvloeit uit de invoering van motorische kracht, aangezien de meer algemeene verbreiding van den tractor in den landbouw een verschijnsel van de laatste jaren is. Het feit, dat beneden de grens van 20 H.A. geen tractoren voorkomen, zelfs niet in gemeenschappelijk bezit of in huur, terwijl gebleken is, dat ook daar de moderne landbouwwerktuigen zooveel mogelijk worden toegepast, wijst er op, dat er in kleine bedrijven geen nuttig gebruik van kan worden gemaakt.
De kleine vermindering van het aantal paarden per 100 H.A. in het kleinbedrijf zal als gevolg moeten worden beschouwd van de omstandigheid, dat de gemiddelde grootte, ook van de kleinbedrijven, iets is toegenomen, nl. van 11,42 H.A. in 1921 tot 12,10 H.A. in 1930, waardoor de paarden wat beter konden worden benut.

  1. De veehouderij.

De hieronder volgende cijfers geven een overzicht van de verschuivingen sinds 1921 tusschen de verschillende grootteklassen, waarin men de bedrijven kan onderscheiden.

Aantal bedrijven Oppervlakte in HA.
Nombre des entreprises Superficie
1921 1930 Toe- of afn. in % van 1921 Accroiss. ou décroiss. en %
Dwergbedrijven Entreprises très petites
a zonder grond sans terres 73) 31) — 57,5)
) 82 ) 47 ) — 42,7
b — 1 H.A. 9) 16) + 77,8)
Kleinbedrijven (1—10 H.A.) 153 142 — 7,2
Petite culture
Middelbedrijven (10—20 H.A.) 174 179 + 2,9
Moyenne culture
Grootbedrijven (20 H.A.—) 90 85 — 5,5
Grande culture
Alle bedrijven te zamen Ensemble 499 454 — 9,0

Zooals uit de cijfers blijkt, zijn de verschuivingen niet zeer belangrijk: het kleinbedrijf en, hoewel verhoudingsgewijs in mindere mate, ook het grootbedrijf, vertoonen eenigen achteruitgang, waartegenover een geringe toeneming van het middelbedrijf staat; voorts zijn verschillende bedrijfjes zonder grond (dus met uitsluitend stalvoedering) verdwenen. Of men hier met een zuivere bedrijfsontwikkeling te doen heeft dan wel met gevolgen van de omvangrijke stadsuitbreiding sinds 1921, welke hoofdzakelijk ten koste van het grasland is gegaan en waardoor dus verschillende grasboerderijen zijn verdwenen of verkaveld, is de vraag. Bovendien is er ten behoeve van tuinbouwbedrijfjes, welke door de uitbreiding verplaatst moesten worden, grasland in tuingrond veranderd en is ook de uitbreiding van den tuinbouw in hoofdzaak ten koste van de veehouderij en niet van den akkerbouw gegaan. In hoeverre laatstgenoemde oorzaken hebben gewerkt, is moeilijk vast te stellen.
Procentsgewijs bleken volgens de telling van 1930 het aantal, de oppervlakte, de runder- en de varkensstapel als volgt over het dwerg-, klein-, middel- en grootbedrijf te zijn verdeeld:

[Pagina 11]

11

Bedrijven Nombre Entreprises Oppervlakte Superficie Runderen Bovins Varkens Porcs
Dwergbedrijven Entreprises très petites
a zonder grond sans terres 6,8) 0,8) 8,1)
) 10,3 0,1 ) 1,2 ) 13,1
b — 1 H.A. 3,5) 0,4) 5,0)
Kleinbedrijven Petite culture (1—10 H.A.) 31,3 13,0 16,6 24,8
Middelbedrijven Moyenne culture (10—20 H.A.) 39,4 47,0 44,8 28,7
Grootbedrijven Grande culture (20 HA. —) 19,0 39,9 37,4 33,4
Alle bedrijven te zamen Ensemble 100 100 100 100

Aan de overzijde van het IJ overweegt het middel-, in de streek bij het dorp Sloten het grootbedrijf.

De veestapel in de veehoudersbedrijven is achteruitgegaan: het aantal runderen verminderde van 9367 in 1921 tot 9069 in 1930, het aantal varkens van 2221 tot 2041, het aantal schapen zelfs van 3235 tot 2124. Tegenover deze vermindering beteekent de toeneming van het aantal kippen van 8724 tot 11491 weinig. De vermindering van het aantal runderen en varkens zal, zoo niet uitsluitend dan toch wel hoofdzakelijk, als gevolg van de vermindering van de beschikbare oppervlakte grasland moeten worden beschouwd, althans zijn deze aantallen per 100 H.A. zelfs nog iets toegenomen, zooals blijkt uit onderstaande cijfers, welke voor de verschillende grootteklassen een overzicht geven van het:

Veebeslag per 100 H.A. Bétail par 100 hect. **

Melk- en kalfk. vaches lait. et plein. Mestvee Bétail à l'engr. Jongvee Elèves Tot. runderen Total bovins Varkens Porcs Schapen Brebis
1921 1930 1921 1930 1921 1930 1921
Dwergbedrijven (—1 H.A.) 815,6 510,4 79,7 815,6
Entrepr. très petites
Kleinbedrijven (1—10 H.A.) 175,9 178,3 5,7 13,7 32,1 16,0 213,7
Petite culture
Middelbedrijven (10—20 H.A.) 117,8 127,2 5,2 6,8 31,5 19,7 154,5
Moyenne culture
Grootbedrijven (20 H.A.—) 106,6 115,7 5,5 15,2 28,6 19,0 140,7
Grande culture
Alle bedr. tez. Ens. 122,2 129,7 5,4 11,0 30,4 19,0 158,0

Moge het aantal runderen per 100 H.A. niet noemenswaardig zijn veranderd, toch heeft in den runderstapel een niet onbelangrijke verandering plaats gehad, welke er op wijst, dat het bedrijf eenigszins anders is georiënteerd dan in 1921. Dit blijkt uit de belangrijke vermindering van het jongvee en de daartegenover niet onaanzienlijke toeneming van het mestvee, terwijl ook het melkvee een niet onbelangrijke vermeerdering vertoont. Blijkbaar is de mesterij rendabeler geworden en de toch reeds weinig belangrijke fokkerij nog verder achteruitgegaan.
Het dwergbedrijf geeft een ander beeld te zien. Hier is het melkvee sterk verminderd, maar wordt thans jongvee gefokt, dat in 1921 in het geheel niet voorkwam, terwijl vooral het feit in het oog valt, dat de in deze groep toch reeds groote varkensstapel is verdubbeld.
Zooals verder uit de cijfers blijkt, gaat in het dwerg- en kleinbedrijf, maar vooral in het eerstgenoemde het rundveebeslag verre den normalen¹) omvang te boven, welke laatste immers, althans in de Amsterdamsche grasboerderijen, op ongeveer 150 stuks per 100 H.A. (3 stuks op 2 H.A.) is te stellen. Deze bedrijven leveren zelve dus niet genoeg gras en hooi op om in de behoefte van hun vee te voorzien en moeten bijkoopen of ander voer toevoegen. In de bedrijven der z.g. ,,schillenboeren'' (dezen vormen een belangrijk deel der dwergbedrijven) bestaat dit uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uit schillen,


¹) Onder ,,normaal'' wordt verstaan, dat in het eigen bedrijf voldoende gras en hooi wordt gewonnen om in de behoefte daaraan te voorzien. * Mechanisatie: Het document signaleert een duidelijke trend: paardenkracht neemt af bij grotere bedrijven (middel en groot), terwijl de tractor zijn intrede doet. Kleinere bedrijven (onder de 20 hectare) maken in 1930 nog geen gebruik van tractoren, vermoedelijk omdat dit niet rendabel of praktisch is voor hun schaal.
* Stadsuitbreiding: Er wordt direct verwezen naar de impact van de groeiende stad (Amsterdam) op het omliggende land. Grasland verdwijnt ten gunste van stedelijke bebouwing of wordt omgezet in intensievere tuinbouw.
* Veehouderij-specialisatie: De focus verschuift van fokkerij (jongvee) naar melkvee en mesterij. Opvallend is de enorme dichtheid van vee in "dwergbedrijven".
* Sociale klasse: De vermelding van "schillenboeren" is historisch interessant. Deze kleine ondernemers hielden vee (vooral varkens en soms wat runderen) op zeer kleine oppervlakten en voerden hen met stedelijk afval (keukenafval/schillen). Dit verklaart de extreem hoge ratio vee per hectare in de tabellen. Dit document stamt uit het interbellum, een periode van grote verandering in de Nederlandse landbouw. De regio die wordt beschreven is het gebied rondom Amsterdam (genoemd worden "het IJ" en het dorp "Sloten"). Het dorp Sloten was in 1921 net geannexeerd door Amsterdam, wat de opmerkingen over stadsuitbreiding en de verdrukking van grasland verklaart. De statistieken tonen de spanning tussen traditionele landbouw en de opkomende industrialisatie en verstedelijking. Het gebruik van Franse vertalingen in de koppen wijst op een formele, mogelijk internationaal georiënteerde statistische publicatie, wat destijds gebruikelijk was voor officiële Nederlandse overheidsrapporten.

Samenvatting

  • Mechanisatie: Het document signaleert een duidelijke trend: paardenkracht neemt af bij grotere bedrijven (middel en groot), terwijl de tractor zijn intrede doet. Kleinere bedrijven (onder de 20 hectare) maken in 1930 nog geen gebruik van tractoren, vermoedelijk omdat dit niet rendabel of praktisch is voor hun schaal.
  • Stadsuitbreiding: Er wordt direct verwezen naar de impact van de groeiende stad (Amsterdam) op het omliggende land. Grasland verdwijnt ten gunste van stedelijke bebouwing of wordt omgezet in intensievere tuinbouw.
  • Veehouderij-specialisatie: De focus verschuift van fokkerij (jongvee) naar melkvee en mesterij. Opvallend is de enorme dichtheid van vee in "dwergbedrijven".
  • Sociale klasse: De vermelding van "schillenboeren" is historisch interessant. Deze kleine ondernemers hielden vee (vooral varkens en soms wat runderen) op zeer kleine oppervlakten en voerden hen met stedelijk afval (keukenafval/schillen). Dit verklaart de extreem hoge ratio vee per hectare in de tabellen.

Historische context

Dit document stamt uit het interbellum, een periode van grote verandering in de Nederlandse landbouw. De regio die wordt beschreven is het gebied rondom Amsterdam (genoemd worden "het IJ" en het dorp "Sloten"). Het dorp Sloten was in 1921 net geannexeerd door Amsterdam, wat de opmerkingen over stadsuitbreiding en de verdrukking van grasland verklaart. De statistieken tonen de spanning tussen traditionele landbouw en de opkomende industrialisatie en verstedelijking. Het gebruik van Franse vertalingen in de koppen wijst op een formele, mogelijk internationaal georiënteerde statistische publicatie, wat destijds gebruikelijk was voor officiële Nederlandse overheidsrapporten.

Metadata

TypeArchieflijst
Lijsttypeoverzichtslijst
Scopeadministratie
Schriftonbekend
Handschriftnvt
Confidence90%