Pagina's 12 en 13 uit een statistisch jaarverslag of economische studie betreffende de landbouw en veehouderij (vermoedelijk regio Amsterdam).
Personen op deze lijst
De parser heeft deze regels uit de scan gehaald. Gekoppelde personen linken door naar hun dossier.
Transcriptie
Pagina's 12 en 13 uit een statistisch jaarverslag of economische studie betreffende de landbouw en veehouderij (vermoedelijk regio Amsterdam). [Pagina 12]
groenteafval, etensresten, welke zij hetzij zelf langs de huizen in de stad ophalen hetzij koopen van anderen, die dat doen. Voor nadere bijzonderheden omtrent deze bedrijven zie men de volgende bladz.
Behalve de losse arbeidskrachten, die nagenoeg uitsluitend in den hooibouw werken (in het voor- en najaar komen, zooals uit tabel 16 blijkt, slechts enkele losse arbeiders voor, resp. voor het bemesten van het land en greppel- en slootwerk), dienen de in de veehouderij werkzame personen hoofdzakelijk voor de verzorging van het vee. Naarmate een bedrijf sterker met vee is bezet, is dus ook meer arbeid noodig. In welke mate dat het geval is, blijkt uit onderstaande cijfers betreffende het veebeslag en het aantal werkweken van alle personen, die het geheele jaar door werk hebben (dus bedrijfshoofden, medewerkende gezinsleden en vaste arbeiders resp. arbeidsters) per 100 H.A. per jaar.
| per 100 H.A. | Melk- en kalfkoeien Vaches laitières et vaches pleines | Mestvee Bétail à l'engrais | Jongvee Elèves | Totaal Total | Varkens Porcs | Schapen Brebis | Paarden boven 3 jaar Chevaux de plus de 3 ans | Werkweken Semaines de travail. |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Dwergbedrijf (— 1 H.A.) Entrepr. très petites | 510,4 | — | 79,7 | 590,1 | 1626,8 | — | 223,2 | 13270,0 |
| Kleinbedrijf (1—10 H.A.) Petite culture | 178,3 | 13,7 | 16,0 | 208,0 | 70,0 | 16,1 | 12,7 | 1629,4 |
| Middelbedr. (10—20 H.A.) Moyenne culture | 127,2 | 6,8 | 19,7 | 153,8 | 22,3 | 35,9 | 6,8 | 784,2 |
| Grootbedrijf (20 H.A. —) Grande culture | 111,57 | 15,2 | 19,0 | 150,9 | 30,5 | 47,6 | 6,4 | 644,4 |
| Alle bedrijven te zamen Ensemble | 129,7 | 11,0 | 19,0 | 159,8 | 33,6 | 38,9 | 7,6 | 868,5 |
Opmerkelijk is vooral het groot aantal werkweken evenals het aanzienlijke aantal paarden in het dwergbedrijf. Ook in het kleinbedrijf gaan deze aantallen, hoewel zij belangrijk lager zijn dan in het dwergbedrijf, de cijfers van het middel- en grootbedrijf verre te boven. De sterkere bezetting in het dwerg- en kleinbedrijf is het gevolg van het zooeven reeds vermelde feit, dat daar de omvang van den veestapel de normale verhouding te boven gaat: het voor het ontbrekende gras en hooi in de plaats komend voedsel moet nl. vervoerd worden en bij het bedrijf der schillenboeren opgehaald worden.
Uit tabel 14 blijkt, dat de landbouwwerktuigen in de veehouderij, met een enkele uitzondering, uit machines voor den hooibouw bestaan. Zooals reeds werd opgemerkt, beperkt de losse arbeid zich hier in hoofdzaak tot het grasmaaien en hooien. Daarom zijn naast de volgende cijfers, welke een beeld geven van het gebruik van landbouwwerktuigen in het dwerg-, klein-, middel- en grootbedrijf, de cijfers van het aantal werkweken der losse arbeidskrachten geplaatst.
| Aantal werktuigen Nombre der machines agricoles | Aantal arbeidsweken van losse arbeiders p. 100 HA. Nombre de semaines de trav. d'ouv. journ. par 100 HA. | ||
|---|---|---|---|
| Per bedrijf Par entreprise | Per 100 HA. Par 100 HA. | ||
| Dwergbedrijf (1 H.A.) ........... | — | — | 638,0 |
| Entreprises très petites | |||
| Kleinbedrijf (1—10 H.A.) ........... | 0,28 | 5,52 | 26,6 |
| Petite culture | |||
| Middenbedrijf (10—20 H.A.) ......... | 1,70 | 11,61 | 32,8 |
| Moyenne culture | |||
| Grootbedrijf (20 H.A. —) ........... | 2,81 | 10,84 | 25,6 |
| Grande culture | |||
| Alle bedrijven te zamen Ensemble ..... | 1,39 | 10,50 | 25,1 |
De hooioogst geschiedt, gelijk van zelf spreekt, niet door de losse arbeidskrachten alleen: de andere in het bedrijf werkzame personen werken daaraan ook mede. Vooral als men dit in het oog houdt, blijkt duidelijk het arbeidsbesparende vermogen der werktuigen. Verder geven de cijfers dezelfde strekking te zien als in den akkerbouw werd waargenomen, nl. dat bij toenemende grootte van het bedrijf de verscheidenheid in de soorten landbouwwerktuigen grooter wordt en de productiviteit ervan stijgt.
[Pagina 13]
Zooals uit de telling bleek, komt motorische trekkracht in de veehouderij niet voor. De hieronder volgende cijfers geven dus slechts een overzicht van het aantal paarden per 100 HA. voor het dwerg-, klein-, middel- en groot bedrijf.
| Dwergbedrijf Entrepr. très petites (— 1 HA.) culture | Kleinbedrijf Petite culture (1—10 H.A.) | Middelbedrijf Moyenne culture (10—20 H.A.) | Grootbedrijf Grande culture (20 H.A. —). | |
|---|---|---|---|---|
| 1921 ............. | 106,4 | 12,8 | 8,3 | 7,1 |
| 1930 ............. | 223,3 | 12,7 | 6,4 | 6,4 |
Bij de beoordeeling van het aantal paarden in het dwerg- en kleinbedrijf dient rekening gehouden met de daaromtrent op de vorige bladz. gemaakte opmerking. De vermeerdering sinds 1921 in het dwergbedrijf zal als het gevolg van de sterk verminderde gemiddelde grootte per bedrijf (0,39 H.A. tegen 0,63 H.A. in 1921) moeten worden beschouwd.
Was het reeds een bekend feit, dat er speciale bedrijven zijn, welke de etensafval en -resten der steden als veevoeder gebruiken, nl. de bedrijven der z.g. schillen- en kliekboeren, in welke mate dit het geval is, was onbekend gebleven. Daarom zijn deze bedrijven thans afzonderlijk bewerkt. Het resultaat daarvan is als tabel 17 aan de overige tabellen van de veehouderij toegevoegd. De bedrijven dezer schillenboeren komen echter ook in laatstgenoemde tabellen voor, zoodat tabel 17 slechts een specificatie uit de overige tabellen is en de cijfers daarvan niet bij laatstgenoemde mogen worden opgeteld.
Hier nu kwam het merkwaardige feit aan het licht, dat in deze soort van bedrijven een drievoudige verscheidenheid bestaat. In de eerste plaats zijn er wat men zou kunnen noemen de volledige bedrijven, nl. veehouders, die zelf voor het ophalen van de schillen of spoeling zorgen; hiervan werden er bij de telling 42 aangetroffen. Daarnaast bleken er echter ook bedrijven te bestaan, welke zich hetzij tot het veehouden, hetzij tot het ophalen beperken. Van deze categoriën werden er resp. 12 en 20 geteld. Zooals uit tabel 17 blijkt, worden 437 runderen (waaronder 407 melk- en kalfkoeien), 416 varkens en 63 paarden uit het stadsafval (waaronder wat de varkens betreft, vooral de etensresten van de groote hotels en restauraties van belang zijn) onderhouden. Het is wellicht niet ondienstig er op te wijzen, dat ook buiten de grenzen van Amsterdam nog dergelijke bedrijven worden aangetroffen, welke eveneneens Amsterdamsch stadsafval als veevoeder gebruiken.
- De tuinbouw.
De groenteteelt is sinds de vorige telling sterk toegenomen: het aantal bedrijven vermeerderde van 103 in 1921 tot 292 in 1930, de oppervlakte van 156,57 H.A. tot 328,525 H.A. Uit het feit, dat de oppervlakte vertwee-, het aantal bedrijven echter bijna verdrievoudigde, blijkt reeds, dat de vermeerdering hoofdzakelijk door de toeneming van het aantal kleine en zeer kleine bedrijven veroorzaakt werd. In onderstaande cijfers vindt men hiervan een beeld.
| Aantal Nombre | + Toe — Afnem. in % v. 1921 + Accroiss. — Décroiss. en % de 1921 | Oppervlakte Superficie | + Toe — Afnem. in % v. 1921 + Accroiss. — Décroiss. en % de 1921 | |
|---|---|---|---|---|
| 1921 | 1930 | 1921 | ||
| 0,05—0,25 H.A. .... | — | 7 | — | — |
| 0,25—0,50 ,, .... | 4 | 15 | + 257,— | 1,20 |
| 0,50—0,75 ,, .... | 5 | 18 | + 260,— | 2,50 |
| 0,75—1.— ,, .... | 4 | 82 | + 1950,— | 3,10 |
| 1.— —1,25 ,, .... | 37 | 100 | + 170,3 | 37,47 |
| 1,25—1,50 ,, .... | 7 | 7 | — | 9,04 |
| 1,50—2.— ,, .... | 12 | 29 | + 141,7 | 19,16 |
| 2.— —2,50 ,, .... | 24 | 28 | + 16,7 | 49,10 |
| 2,50—5.— ,, .... | 7 | 4 | — 42,9 | 20,— |
| 5 HA.— ,, .... | 3 | 2 | — 33,3 | 15,— |
| Alle bedr. te zamen | 103 | 292 | + 183,5 | 156,57 |
| Ensemble |
Bij de beschouwing van deze cijfers springt de sterke vermeerdering van de bedrijven tusschen * Intensivering van Dwergbedrijven: De data laten zien dat dwergbedrijven (kleiner dan 1 hectare) een extreem hoge bezetting hebben van zowel vee (varkens) als arbeidskrachten. Dit wijst op een zeer intensieve vorm van landbouw die niet afhankelijk is van eigen grondoppervlakte voor voerproductie.
* De Schillenboeren-economie: Er wordt een fascinerend inkijkje gegeven in de vroege circulaire economie van de stad. De "schillen- en kliekboeren" haalden stadsafval (etensresten van huizen en grote hotels) op om als veevoer te gebruiken. Dit verklaart de hoge concentratie paarden (voor transport) en varkens bij kleine stadsrandbedrijven.
* Mechanisatie-paradox: Hoewel grotere bedrijven meer machines per bedrijf hebben, is de motorische trekkracht (tractoren) in 1930 nog afwezig in de veehouderij. Paardenkracht bleef dominant, zeker bij de kleinere bedrijven.
* Groei in de Tuinbouw: Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar naar kleinschalige groenteteelt tussen 1921 en 1930. Het aantal bedrijven nam met 183% toe, vooral in de categorieën onder de 1,25 hectare. Dit document stamt uit de periode van het Interbellum, een tijd waarin de Nederlandse landbouw rondom grote steden zoals Amsterdam een transitie doormaakte. De groeiende stedelijke bevolking zorgde voor een enorme vraag naar verse groenten en zuivel, maar produceerde ook enorme hoeveelheden organisch afval.
De "schillenboer" was een essentieel figuur in dit ecosysteem; zij fungeerden als informele afvalverwerkers die de stad schoonhielden en tegelijkertijd goedkoop veevoer verkregen. De statistieken laten zien dat dit geen marginale activiteit was, maar een substantiële sector die honderden runderen en varkens voedde. De tabel over tuinbouw illustreert de opkomst van de 'stadsrandlandbouw', waarbij kleine percelen intensief werden benut om aan de stedelijke vraag te voldoen, een ontwikkeling die later door schaalvergroting en stadsuitbreiding weer zou verdwijnen. De tweetaligheid van de koppen duidt op de internationale standaardisering van statistiekvoering in die tijd.
Samenvatting
- Intensivering van Dwergbedrijven: De data laten zien dat dwergbedrijven (kleiner dan 1 hectare) een extreem hoge bezetting hebben van zowel vee (varkens) als arbeidskrachten. Dit wijst op een zeer intensieve vorm van landbouw die niet afhankelijk is van eigen grondoppervlakte voor voerproductie.
- De Schillenboeren-economie: Er wordt een fascinerend inkijkje gegeven in de vroege circulaire economie van de stad. De "schillen- en kliekboeren" haalden stadsafval (etensresten van huizen en grote hotels) op om als veevoer te gebruiken. Dit verklaart de hoge concentratie paarden (voor transport) en varkens bij kleine stadsrandbedrijven.
- Mechanisatie-paradox: Hoewel grotere bedrijven meer machines per bedrijf hebben, is de motorische trekkracht (tractoren) in 1930 nog afwezig in de veehouderij. Paardenkracht bleef dominant, zeker bij de kleinere bedrijven.
- Groei in de Tuinbouw: Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar naar kleinschalige groenteteelt tussen 1921 en 1930. Het aantal bedrijven nam met 183% toe, vooral in de categorieën onder de 1,25 hectare.
Historische context
Dit document stamt uit de periode van het Interbellum, een tijd waarin de Nederlandse landbouw rondom grote steden zoals Amsterdam een transitie doormaakte. De groeiende stedelijke bevolking zorgde voor een enorme vraag naar verse groenten en zuivel, maar produceerde ook enorme hoeveelheden organisch afval.
De "schillenboer" was een essentieel figuur in dit ecosysteem; zij fungeerden als informele afvalverwerkers die de stad schoonhielden en tegelijkertijd goedkoop veevoer verkregen. De statistieken laten zien dat dit geen marginale activiteit was, maar een substantiële sector die honderden runderen en varkens voedde. De tabel over tuinbouw illustreert de opkomst van de 'stadsrandlandbouw', waarbij kleine percelen intensief werden benut om aan de stedelijke vraag te voldoen, een ontwikkeling die later door schaalvergroting en stadsuitbreiding weer zou verdwijnen. De tweetaligheid van de koppen duidt op de internationale standaardisering van statistiekvoering in die tijd.