Ambbtelijk bijblad/notitie (Model No. 14 Algemene Zaken) betreffende een marktvergunning.
Origineel
Ambbtelijk bijblad/notitie (Model No. 14 Algemene Zaken) betreffende een marktvergunning. Diverse data in juli 1939 (18/7, 20-7-'39, 27-7-'39). [Linksboven in kader]
BIJBLAD V/AN:
M. No. 26 / 34 / 1 193 9
DOORGEZONDEN: 18/7
[Rechtsboven]
27¹
H. Lap. Lepelstraat 71 ᴵᴵ
pl. 109 Waterlooplein
" 46 Mosplein
" 25 Dapperstraat
[Midden, handgeschreven tekst]
~~vrouw staat op~~
~~Mosplein!!~~
Tegen inwilliging van het
verzoek van H. Lap om zich
des Zaterdags op zijn plaats
op de Dapperstraat te mogen
laten assisteren - niet vervangen -
door zijn dochter van 16 jaar, bestaat
m.i. geen bezwaar.
Het verzoek om zich ook door zijn zoon
van 13 jaar te mogen laten bijstaan, moet
worden afgewezen.
[Rechterzijde, kanttekeningen]
Mr. Perry
advies
20-7-39
déliai [?]
[Onderaan]
26 / 34 / 2 3
14/8/39 AB [?]
27-7-39
déliai [?]
[Linksonder in de voet]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 * Onderwerp: Een verzoek van marktkramer H. Lap voor hulp bij zijn marktkraam op de Dapperstraat op zaterdagen.
* Inhoud verzoek: Lap vraagt toestemming om zich te laten bijstaan door zijn 16-jarige dochter en zijn 13-jarige zoon.
* Besluitvorming: De ambtenaar (mogelijk Mr. Perry) adviseert dat er geen bezwaar is tegen de hulp van de 16-jarige dochter, mits het gaat om 'assisteren' en niet om volledige 'vervanging' van de vergunninghouder. Het verzoek voor de 13-jarige zoon wordt echter resoluut afgewezen, waarschijnlijk vanwege de geldende regels omtrent kinderarbeid of minimumleeftijd voor markthulp in die tijd.
* Opmerkingen: De tekst bovenaan over de vrouw op het Mosplein is doorgestreept, wat duidt op een wijziging in de situatie of een correctie in het dossier. Dit document stamt uit juli 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. H. Lap was een marktkoopman die op drie bekende Amsterdamse markten stond (Waterlooplein, Mosplein en Dapperstraat). De Lepelstraat lag in de Amsterdamse Jodenbuurt; veel marktkramers in deze wijken waren van Joodse komaf.
In de jaren '30 waren de regels voor marktkramers streng: men moest persoonlijk bij de kraam aanwezig zijn. Assistentie van familieleden was alleen toegestaan met expliciete toestemming van de gemeente (de marktmeester of de afdeling Algemene Zaken). Dit document illustreert de bureaucratische afhandeling van dergelijke kleine, dagelijkse verzoeken van burgers aan de stad Amsterdam. De afwijzing van de 13-jarige zoon toont aan dat de grens voor arbeid/hulpverlening strikt bij de toenmalige leerplicht- of arbeidsleeftijd lag.