Archiefdocument
Origineel
3 april 1939 (betreffende gebeurtenissen in 1938). Onbekende ambtenaar/medewerker (geparafeerd). De heer Brouwer. Hr. Brouwer
De heer B.A.H. Wolkers
Sloterpolder E 379 heeft op 10 Maart 1938
een jaarverklaring geteekend voor een tuinaandeel-
plaats voor 1938.
Volgens de presentielijsten heeft hij op
19 Maart 1938 uitgestald op plaats 106
terrein E en op 23/4 op plaats 133.
Volgens een aanteekening op de presentielijst
van de week 28/3 - 2/4 1938 zou Wolkers
uitgestald hebben op plaats 46 in de hal.
Zie rapport 31-3-1938 van controleur J. Hoek
dit rapport is niet bekend bij de boekhouding.
Op 3 Sept 1938 heeft Wolkers ƒ 30.- betaald
en zou hij dus voor 1938 nog ƒ 60.- moeten
betalen.
Bij de boekhouding was niet bekend, dat
Wolkers in den loop van 1938 is gaan veilen;
op den staat van tuinders die recht hebben
op ontheffing over 1938 komt Wolkers niet voor.
In tegenstelling tot de tuinders die ontheffing
hebben gekregen heeft Wolkers voor 1939 opnieuw
een verklaring geteekend. De vraag rijst nu
of Wolkers alsnog recht heeft op ontheffing
van ƒ 60.- voor 1938.
3/4 1939 [Paraaf] Dit document betreft een interne administratieve notitie over een geschil betreffende pacht- of marktgeld. B.A.H. Wolkers, een tuinder uit de Sloterpolder, heeft in 1938 een deel van zijn verschuldigde bedrag voldaan (30 van de 90 gulden). De resterende 60 gulden staat open, maar er is onduidelijkheid over zijn recht op 'ontheffing' (vrijstelling).
De kern van het probleem is een administratieve fout: een rapport van een controleur uit maart 1938, waaruit bleek dat Wolkers zijn waren in de markthal aanbood (uitstalde), is nooit bij de boekhouding gearriveerd. Omdat Wolkers hierdoor niet op de officiële lijst voor ontheffing is geplaatst, wordt hij nog steeds aangeslagen voor het volledige bedrag. De notitie dient om uit te zoeken of hij alsnog recht heeft op kwijtschelding van de resterende 60 gulden, aangezien hij voor het nieuwe jaar (1939) wel weer aan de administratieve verplichtingen heeft voldaan. De Sloterpolder was in die tijd een belangrijk tuinbouwgebied aan de westkant van Amsterdam (het huidige Amsterdam Nieuw-West). Tuinders verbouwden daar groenten die vervolgens op de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat werden verhandeld.
Het document weerspiegelt de bureaucratische werkelijkheid aan het eind van de jaren '30. Na de economische crisis van de jaren '30 waren veel kleine tuinders financieel kwetsbaar. Een ontheffing van 60 gulden — in die tijd een aanzienlijk bedrag, ongeveer gelijk aan twee weeklonen voor een arbeider — was voor een tuinder van cruciaal belang. Het document toont de nauwgezetheid waarmee de gemeente Amsterdam aanwezigheidslijsten en standplaatsen ("plaats 106", "plaats 133") bijhield om de juiste belastingafdracht te controleren.