Getypte ambtelijke nota of adviesstuk.
Origineel
Getypte ambtelijke nota of adviesstuk. -2-
een goedgekeurde winkel of slachtplaats hebben, tot den ver-
koop in het klein zouden worden toegelaten. Deze laatste
maatregel wordt door de geraadpleegde diensten onjuist ge-
acht; nog daargelaten, dat hij geen rekening houdt met het
principe van centralisatie der slachterijen, wordt een ver-
gunningsstelsel uitsluitend voor den localen winkelstand
onwettig geacht. De overige door de organisatie van belang-
hebbenden gevraagde maatregelen zijn echter inderdaad voor
de onderhavige materie van belang, weshalve zij hieronder,
in ander verband, nader zullen worden behandeld.
Voor de regeling van de onderhavige materie komen drie
wetten als uitgangspunt in aanmerking:
I artikel 4 sub 3e der Hinderwet;
II artikel 15 lid 3 der Warenwet 1919 (s.581);
III artikel 168 der Gemeentewet.
Ad I. Krachtens artikel 4 sub 3e der Hinderwet kan de
Gemeenteraad bij plaatselijke verordening verbieden onder
andere om een slachterij op te richten, te hebben of te ge-
bruiken indien in de gemeente een inrichting aanwezig is,
waarin belanghebbenden onder bij verordening vast te stel-
len voorwaarden het bedrijf kunnen uitoefenen.
De eenige vraag, die hier rijst is, of een pluimvee-
slachterij een slachterij is in den zin van deze wetsbepa-
ling. Gezien het feit, dat een Wetsontwerp aanhangig is,
waarbij de pluimveeslachterijen uitdrukkelijk onder dit
voorschrift worden gebracht, bestaat omtrent deze vraag
thans nog eenige twijfel, hoewel reeds eenige malen door
den Rechter is uitgemaakt, dat ook krachtens de huidige Wet
pluimveeslachterijen als slachterijen moeten worden aange-
merkt. Aangezien de Regeering bovendien, blijkens het voor-
bereiden van een Wetsontwerp ten deze, het belang erkent,
dat pluimveeslachterijen onder het onderhavige voorschrift
vallen, lijkt het wel verantwoord om reeds thans te dien
aanzien een plaatselijke verordening te ontwerpen. De
kans, dat de Kroon een dergelijke verordening krachtens ar-
tikel 185 der Gemeentewet zal vernietigen, of dat de Rech-
ter, de verordening toetsende, haar niet verbindend zal
verklaren, wordt op grond van het bovenstaande gering ge-
acht. Mocht dit onverhoopt geschieden, dan zou altijd nog
kunnen worden overwogen, om de verordening tot centrali-
satie der slachtingen te baseeren op artikel 168 der Ge-
meentewet. Deze weg is ook gekozen voor niet-bedrijfsslach-
tingen van vee.
Centralisatie der slachting is in de eerste plaats
noodig om den ten dezen bestaanden hinder doeltreffend te
bestrijden; bovendien is aan centralisatie het voordeel
verbonden, dat een eventueel in te voeren verplichte keu-
ring van pluimvee en konijnen erdoor wordt vergemakkelijkt.
Ad II. Deze verplichte keuring zou moeten voorafgaan
aan het in den handel brengen van de waar. Krachtens de
Verordening ex art. 6 der Warenwet zijn geslacht pluimvee
en geslachte konijnen, evenals andere waren, aan keuring
onderworpen, d.w.z. aan een repressief toezicht. Dit toe-
zicht moet evenwel geacht worden geen volledigen waarborg
te bieden tegen het in consumptie brengen van ondeugdelijk
pluimvee en ondeugdelijke konijnen in geslachten toestand,
waaronder - en ongetwijfeld in de eerste plaats - zijn te
verstaan dieren, welke lijdende zijn aan een ziekte, ten
gevolge waarvan het in consumptie brengen dezer geslachte * Juridische argumentatie: De auteur onderzoekt de juridische haalbaarheid van een plaatselijke verordening om pluimveeslachterijen te reguleren. De kernvraag is of een pluimveeslachterij juridisch gelijkgesteld kan worden aan een reguliere slachterij onder de Hinderwet.
* Beleidsdoel: Men streeft naar centralisatie van slachtactiviteiten. Dit heeft twee doelen: het beperken van lokale hinder (stank, overlast) en het faciliteren van een efficiëntere hygiënische keuring.
* Keuring: Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het huidige "repressieve toezicht" (controle achteraf) en een gewenste verplichte keuring voorafgaand aan de verkoop, om de volksgezondheid beter te waarborgen.
* Wetsinterpretatie: De tekst verwijst naar een "Wetsontwerp" dat in voorbereiding is om pluimveeslachterijen expliciet onder de Hinderwet te brengen, maar adviseert vooruitlopend hierop alvast lokaal beleid te maken. Dit document stamt waarschijnlijk uit de periode 1920-1940 (gezien de verwijzing naar de Warenwet 1919 en de gehanteerde spelling). Het is een illustratie van de toenemende overheidsbemoeienis met voedselveiligheid en volksgezondheid in Nederland. In die tijd werd de slacht van pluimvee en konijnen vaak nog minder streng gecontroleerd dan die van groter vee. De tekst toont de verschuiving aan van kleinschalige, ongecontroleerde slacht naar een meer gecentraliseerd en door de overheid gecontroleerd systeem, gedreven door zowel hygiënische als planologische (hinder) overwegingen.