Getypt verslag van een vergadering (waarschijnlijk een fragment van notulen van een subcommissie).
Origineel
Getypt verslag van een vergadering (waarschijnlijk een fragment van notulen van een subcommissie). (Getrouwe weergave van het origineel met behoud van spelling, lay-out en interpunctie. Onderstrepingen in het origineel zijn hier overgenomen.)
3
De Heer Reeser verklaart dat de meerderheid van de Sub-
commissie de moeilykheid dan ook geenszins ontkende, maar meende
dat het aanbeveling verdiende, te probeeren, de zaak geregeld
te krygen als in het rapport is vermeld, al was men zich ervan
bewust, dat preventieve keuring niet in de Warenwet is bedoeld.
Ir. Tjaden betoogt de wenschelykheid aan Burgemeester en
Wethouders duidelyk te maken wat de moeilykheid is, en wat het
voordeel van een regeling, zooals de Sub-commissie die voorstelt,
zou zyn.
Mr.v.Praag is van meening, dat een afzonderlyke Verordening
ex Art. 168 van de Gemeentewet, die het vooraf keuren verplicht
stelt en de keuringseischen regelt, niet tot stand zou kunnen
komen, omdat de Warenwet deze aangelegenheid uitputtend regelt.
Ad. III. Ir. Tjaden stelt de vraag of men in de Verordening
niet kan opnemen dat er geen ondeugdelyke waar op de centrale
slachtplaats aanwezig mag zyn.
De Heer Reeser meent, dat dit inderdaad mogelyk is, en ver-
wyst naar de vroegere regeling op de keuring van vleesch toen
er nog geen vleeschkeuringswet was.
Mr.v.Praag en Ir.Samson merken naar aanleiding hiervan op,
dat men toen blykbaar per Verordening iets regelde, dat nog niet
by Wet geregeld was, terwyl in de onderhavige kwestie de regeling
by Wet de mogelykheid van regeling per Verordening beperkt of
uitsluit.
Verschillende leden zyn van meening dat het niet noodig
zou zyn in de Verordening de eischen te noemen die gesteld wor-
den aan het verkrygen van het keuringsmerk, maar dat een algemee-
ne bepaling den daarvoor aangewezen ambtenaar van de Gemeente
de bevoegdheid kan geven over de al of niet toekenning van het
keuringsmerk te beslissen.
Dr. v/d Laan zou in het aan Burgemeester en Wethouders uit
te brengen rapport willen vermelden, dat men later op de econo-
mische consequenties terug zal komen, en thans alleen een prin-
cipieele uitspraak wenscht omtrent de mogelykheid van het vast-
stellen van een regeling.
Ir. Tjaden wyst er op, dat in het rapport een pleidooi voor
de wenschelykheid van het tot stand komen van een regeling moet
zyn opgenomen.
De Sub-commissie zal een ontwerp voor den zakelyken inhoud
van het rapport gereed maken. De tekst documenteert een debat over de juridische grenzen van gemeentelijke autonomie. Een subcommissie onderzoekt of de gemeente een verordening kan opstellen voor de keuring van goederen (specifiek vlees op een slachtplaats). De juridisch expert, Mr. v. Praag, voert aan dat dit onmogelijk is omdat de nationale Warenwet de materie al "uitputtend" regelt; een lokale verordening mag daar niet mee in strijd zijn of zaken regelen die al door het Rijk zijn vastgelegd. Andere leden proberen via een omweg (bijvoorbeeld door enkel een verbod op 'ondeugdelijke waar' op te nemen) toch een vorm van lokale controle te behouden. Uiteindelijk besluit men om eerst een principiële uitspraak van het college van Burgemeester en Wethouders te vragen over de juridische mogelijkheid, alvorens de economische aspecten te bekijken. Dit document stamt waarschijnlijk uit de vroege jaren '20 van de 20e eeuw. De Nederlandse Warenwet werd in 1919 aangenomen, en de Vleeskeuringswet (waarnaar verwezen wordt als zijnde de nieuwe standaard) trad in 1922 in werking. Vóór die tijd was vleeskeuring vaak een ongeorganiseerde, lokale aangelegenheid. De discussie weerspiegelt de transitieperiode waarin gemeenten hun grip op de lokale voedselveiligheid verloren aan gecentraliseerde rijksinspecties en wetgeving. De namen Tjaden en Reeser komen in die periode voor in verslagen van gemeenteraadscommissies in grote steden zoals Amsterdam of Den Haag, wat duidt op een stedelijke context met een eigen centrale slachtplaats.