Archief 745
Inventaris 745-308
Pagina 57
Dossier 2A
Jaar 1940
Stadsarchief

Zakelijke correspondentie / Verzoekschrift.

13 november 1940. Van: J.J. Koentjes, Bloemstraat 62 belét., Amsterdam-Centrum.

Origineel

Zakelijke correspondentie / Verzoekschrift. 13 november 1940. J.J. Koentjes, Bloemstraat 62 belét., Amsterdam-Centrum. J.J. Koentjes
Bloemstraat 62 belét.
Amsterdam-Centrum.

Amsterdam, 13 November 1940.

Aan de Stichting "Centraal Belang",
Zwarteweg 22,
Den Haag.

Myne Heeren,

Hiermede heb ik de eer de ontvangst te bevestigen van Uw brief d.d. November 1940. Ik kan geen bewyzen overleggen, dat ik de laatste twee jaren in aardappelen handelde, omdat ik toen (tot Mei 1940) vischhandelaar was. Voorheen heb ik wel in aardappelen gehandeld, hetgeen o.a. door het Marktwezen van de Gemeente Amsterdam kan worden bevestigd. In Juni jl. kreeg ik van de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale een voorloopige erken-ning als kleinhandelaar in gewassen van den tuinbouw. Ik heb thans een hal in Amsterdam (Bloemstraat 64), waarin ik voor myn gezin het bestaan verdien. Zonder aardappelen kan ik deze zaak niet voortzetten, zoodat ik dreig tot armoede te vervallen.

Ik verzoek U beleefd, doch met den meesten aandrang, my alsnog als aangeslotene te willen toelaten.

Hoogachtend,

Ondergeteekende, Directeur van het Marktwezen der Gemeente Amsterdam bevestigt hierby den inhoud van bovenstaanden brief. Hy neemt de vryheid erop te wyzen, dat Koentjes, met mede-werking van een semi-openbare instantie (de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale) in de gelegenheid werd gesteld om zich als kleinhandelaar in aardappelen, groente en fruit te vestigen, zulks op een tydstip, dat de handel in aardappelen nog vry was. Onder-geteekende dringt er daarom met den meesten nadruk op aan, in dit geval niet een bestaande zaak te vernietigen en alsnog ten spoe-digste aan Koentjes voornoemd de gevraagde aansluiting by de Stichting "Centraal Belang" toe te staan.

Amsterdam, 13 November 1940.
De Directeur, In deze brief verzoekt J.J. Koentjes om officieel erkend te worden als handelaar door de stichting "Centraal Belang". De kern van het probleem is bureaucratisch: Koentjes kan niet aantonen dat hij de afgelopen twee jaar in aardappelen heeft gehandeld, omdat hij tot mei 1940 werkzaam was als visboer. Hij voert aan dat hij in juni 1940 (vlak na de Nederlandse capitulatie) een nieuwe zaak is begonnen in groenten en fruit en dat hij zonder de handel in aardappelen zijn gezin niet kan onderhouden.

Opvallend is de sterke voorspraak onderaan de brief. De Directeur van het Marktwezen van Amsterdam zet zijn gewicht in de schaal om de aanvraag te ondersteunen. Hij benadrukt dat Koentjes te goeder trouw is begonnen op een moment dat de handel nog "vrij" was en waarschuwt dat het weigeren van de vergunning zou neerkomen op het vernietigen van een bestaand middel van bestaan. Het document dateert van november 1940, de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens deze periode werd de economie in snel tempo onder centraal toezicht gesteld (de zogenaamde distributiestamkaarten en handelsbeperkingen). Instanties zoals de "Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale" en de stichting "Centraal Belang" speelden een cruciale rol in het reguleren van wie wat mocht verkopen.

De brief illustreert de overgang van een vrije markt naar een strak gereguleerde oorlogseconomie, waarbij kleine zelfstandigen afhankelijk werden van bureaucratische erkenningen om hun beroep te mogen uitoefenen. De vrees voor "armoede" was in deze context zeer reëel, aangezien de schaarste aan goederen en de controle op de handel de marges voor kleine ondernemers sterk onder druk zetten.

Samenvatting

In deze brief verzoekt J.J. Koentjes om officieel erkend te worden als handelaar door de stichting "Centraal Belang". De kern van het probleem is bureaucratisch: Koentjes kan niet aantonen dat hij de afgelopen twee jaar in aardappelen heeft gehandeld, omdat hij tot mei 1940 werkzaam was als visboer. Hij voert aan dat hij in juni 1940 (vlak na de Nederlandse capitulatie) een nieuwe zaak is begonnen in groenten en fruit en dat hij zonder de handel in aardappelen zijn gezin niet kan onderhouden.

Opvallend is de sterke voorspraak onderaan de brief. De Directeur van het Marktwezen van Amsterdam zet zijn gewicht in de schaal om de aanvraag te ondersteunen. Hij benadrukt dat Koentjes te goeder trouw is begonnen op een moment dat de handel nog "vrij" was en waarschuwt dat het weigeren van de vergunning zou neerkomen op het vernietigen van een bestaand middel van bestaan.

Historische Context

Het document dateert van november 1940, de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens deze periode werd de economie in snel tempo onder centraal toezicht gesteld (de zogenaamde distributiestamkaarten en handelsbeperkingen). Instanties zoals de "Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale" en de stichting "Centraal Belang" speelden een cruciale rol in het reguleren van wie wat mocht verkopen.

De brief illustreert de overgang van een vrije markt naar een strak gereguleerde oorlogseconomie, waarbij kleine zelfstandigen afhankelijk werden van bureaucratische erkenningen om hun beroep te mogen uitoefenen. De vrees voor "armoede" was in deze context zeer reëel, aangezien de schaarste aan goederen en de controle op de handel de marges voor kleine ondernemers sterk onder druk zetten.

Gerelateerde Documenten 3