Ambtelijke of bestuurlijke notitie/kladversie met betrekking tot marktverordeningen.
Origineel
Ambtelijke of bestuurlijke notitie/kladversie met betrekking tot marktverordeningen. Voorstellen
Ad. 1 : Minstens 3 d. per week staan en tot 5 uur.
a/ Bedoeling is meer constante bezetting ; meer rust, minder schuiven.
b/ Men zal veronderstellen: wie 3 dagen moet staan zal wel gaan begrijpen
c/ Het voorstel van 3 dagen verhindert echter niet,
dat men op 2 dagen . 3 d. kan staan.
Constante bezetting wordt er dus niet mee bereikt,
wel eenige verbetering in de duur v. d. bezetting,
vandaar dat wij dikwijls reeds overwogen verplicht 3 of 4 dagen
maar gevolgen.
d/ Vele personen worden bemoeilijkt,
vooral zij voor wie 2 dagen reeds veel is (gehandicapten maar 1 dag).
e/ Bedoelt men alleen de koopl. th W. plein en th Nieuwmarkt
te verhinderen een 2e of 4e dagsmarkt te bezetten, (zoo ja waarom?)
en de koopl. v. d. andere dagen niet,
dan wordt het voor de laatste groep toch ook heel moeilijk,
want heel bezet zoo'n koopman reeds een weekmarkt
op M. (Westerk.) of Zat. , dan kan hij er geen 2 dagen meer bij hebben
f/ Men kan toch bezwaarlijk in een Reglement alleen de
koopl. th W. pl. en th N. markt treffen, dat is niet toelaatbaar,
tenzij men daarvoor markttechnische redenen,
of redenen van algemeen belang, heeft.
g/ Wil men alleen markttechnisch meer constante bezetting,
dan is 4 dagen verplicht even noodig.
h/ Groote bezwaren voor kooplieden in wild, gevogelte, paling,
zuurwaren etc. en niet te vergeten de handwerkers.
Nu zou men deze groepen van die verplichting kunnen uitzonderen
en deze dan aparte plaatsen op de markten aanwijzen,
maar ik schrik daarvoor terug. (desorganisatie v. d. markten
en ernstig dupeeren van menschen in deze tijden vooral).
i/ Verplichting 4 dagen zouden wij aandurven voor de opbouw der markten,
indien de Zaterdag een goede marktdag kon worden op het Waterlooplein
en op de Nieuwmarkt, maar dit is uitgesloten,
of indien er voor die kooplieden op de Zaterdagmarkten voldoende plaatsen
beschikbaar waren, maar dat is niet zoo. Men zou die kooplieden deels dupeeren.
Dit alles los v. d. fin. gevolgen voor de Gemeente. In dit document worden de praktische en ethische bezwaren gewogen van een voorgestelde maatregel om marktkooplieden te verplichten minimaal drie of vier dagen per week op hun vaste standplaats (met name Waterlooplein en Nieuwmarkt) aanwezig te zijn tot vijf uur 's middags.
De belangrijkste bevindingen zijn:
1. Doelstelling: De gemeente streeft naar een "constante bezetting" om rust op de markt te creëren en het voortdurend wisselen van kooplieden tegen te gaan.
2. Effectiviteit: De schrijver twijfelt of een 3-daagse verplichting wel zinvol is. Er wordt gesteld dat alleen een 4-daagse verplichting echt effect zou hebben op de structuur van de markt.
3. Sociaal-economische impact: De maatregel zou specifieke groepen hard treffen, zoals gehandicapten (voor wie één dag al zwaar is) en handelaren in specifieke producten (wild, paling, handwerk). Ook kooplieden die hun inkomen spreiden over verschillende weekmarkten zouden in de knel komen.
4. Juridische/Bestuurlijke bezwaren: Er wordt gewaarschuwd dat het reglementair lastig is om alleen specifieke markten (W. plein en Nieuwmarkt) deze verplichting op te leggen zonder dat dit als onredelijk of onrechtvaardig wordt gezien.
5. Ruimtegebrek: Er is een praktisch probleem: de zaterdag is de belangrijkste marktdag, maar er is niet genoeg plek op de grote markten om iedereen die verplicht moet staan te faciliteren. Dit document past in de bredere geschiedenis van de Amsterdamse marktpolitiek in de vroege 20e eeuw. Tijdens deze periode probeerde de gemeente de straathandel te moderniseren en te 'saneren'. Markten als het Waterlooplein en de Nieuwmarkt waren van oudsher plekken van informele handel en grote drukte. De overheid probeerde door middel van strengere marktverordeningen (zoals vaste standplaatsen en verplichte aanwezigheidstijden) meer controle uit te oefenen op de economische orde en het straatbeeld. De notitie toont het spanningsveld tussen de bureaucratische wens voor orde ("constante bezetting") en de weerbarstige praktijk van de kleine handelaar.