Archief 745
Inventaris 745-317
Pagina 242
Jaar 1940
Stadsarchief

Ambtelijk advies / Correspondentie

Van: Onbekend (ondertekening door een beambte van het Marktwezen, mogelijk een opzichter of marktmeester)

Origineel

Ambtelijk advies / Correspondentie Onbekend (ondertekening door een beambte van het Marktwezen, mogelijk een opzichter of marktmeester) Advies op No 25/174/40 M.P.

Den Heer Inspecteur
4h Marktwezen
Alhier

In verband met bijgaand verzoek van R. Papegaay,
overst. pl. no AC., bericht ik U het volgende:
De plaats van verzoeker is ingaande 28 Oct. l.l. inge-
trokken wegens het niet geregeld bezetten van zijn
plaats.
In mijn advies op br. No 25/174/40 M.P. is weergegeven op
welke wijze hij in de periode van 12 Febr '40 t/m 7 Sept. l.l.
van zijn plaats gebruik heeft gemaakt.
In de periode van 9 Sept. '40 t/m 26 Oct. '40 heeft Papegaay
7 malen zijn plaats bezet, dus heeft hij de intrekking
geheel aan zich zelf te wijten.
’t Is mij echter bekend dat Papegaay in bijzonder
moeilijke omstandigheden verkeert en een terug-
krijging van zijn plaats mogelijk uitkomst kan
brengen.
Ik geef U dan ook in overweging te adviseren het
verzoek om de plaats-intrekking ongedaan te maken
bij hooge uitzondering in te willigen en af te
wachten in hoeverre P. in de toekomst werkelijk ge-
bruik zal maken van zijn plaats.
Mocht zulks eveneens onvoldoende blijven, dan dient
geen pardon meer te gelden.

Amsterdam, 5 Nov. '40.
[Handtekening: S. v. Meeuwen?] Het document is een ambtelijk schrijven binnen de hiërarchie van het Amsterdamse Marktwezen. De kern van de zaak is de intrekking van een standplaats (vermoedelijk op een markt) van een zekere R. Papegaay. De reden voor de intrekking was "verwaarlozing": de plaatshouder verscheen te weinig (slechts 7 keer in zeven weken tijd).

De toon van de brief is formeel en procedureel, maar bevat een opvallende menselijke component. Hoewel de schrijver expliciet stelt dat Papegaay de situatie aan zichzelf te wijten heeft ("geheel aan zich zelf te wijten"), pleit hij toch voor clementie. Het argument hiervoor is de precaire persoonlijke situatie van de betrokkene ("bijzonder moeilijke omstandigheden"). Het advies is om een laatste kans te geven ("bij hooge uitzondering"), met de duidelijke waarschuwing dat het hierna definitief voorbij is als de bezettingsgraad niet verbetert. Dit document is gedateerd op 5 november 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de brief een strikt administratieve markt-kwestie lijkt te betreffen, kan de genoemde "moeilijke omstandigheid" niet los worden gezien van de economische malaise en de beginnende schaarste in deze periode.

De afkorting "M.P." in het referentienummer zou kunnen staan voor "Markt Politie". Het "Marktwezen" was de gemeentelijke instantie die de orde en vergunningen op de Amsterdamse markten beheerde. In deze periode waren markten cruciaal voor de voedselvoorziening van de stad. De naam Papegaay is een bekende naam in de Joodse gemeenschap van Amsterdam; hoewel de brief hier niet expliciet over spreekt, vonden er in november 1940 al diverse anti-Joodse maatregelen plaats die de economische positie van Joodse marktplachthouders ernstig onder druk zetten. Of dit hier een rol speelt, kan zonder aanvullend archiefonderzoek naar de persoon Papegaay niet met zekerheid worden vastgesteld, maar het kader van de vroege bezettingstijd maakt de "moeilijke omstandigheden" zeer invoelbaar.

Samenvatting

Het document is een ambtelijk schrijven binnen de hiërarchie van het Amsterdamse Marktwezen. De kern van de zaak is de intrekking van een standplaats (vermoedelijk op een markt) van een zekere R. Papegaay. De reden voor de intrekking was "verwaarlozing": de plaatshouder verscheen te weinig (slechts 7 keer in zeven weken tijd).

De toon van de brief is formeel en procedureel, maar bevat een opvallende menselijke component. Hoewel de schrijver expliciet stelt dat Papegaay de situatie aan zichzelf te wijten heeft ("geheel aan zich zelf te wijten"), pleit hij toch voor clementie. Het argument hiervoor is de precaire persoonlijke situatie van de betrokkene ("bijzonder moeilijke omstandigheden"). Het advies is om een laatste kans te geven ("bij hooge uitzondering"), met de duidelijke waarschuwing dat het hierna definitief voorbij is als de bezettingsgraad niet verbetert.

Historische Context

Dit document is gedateerd op 5 november 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de brief een strikt administratieve markt-kwestie lijkt te betreffen, kan de genoemde "moeilijke omstandigheid" niet los worden gezien van de economische malaise en de beginnende schaarste in deze periode.

De afkorting "M.P." in het referentienummer zou kunnen staan voor "Markt Politie". Het "Marktwezen" was de gemeentelijke instantie die de orde en vergunningen op de Amsterdamse markten beheerde. In deze periode waren markten cruciaal voor de voedselvoorziening van de stad. De naam Papegaay is een bekende naam in de Joodse gemeenschap van Amsterdam; hoewel de brief hier niet expliciet over spreekt, vonden er in november 1940 al diverse anti-Joodse maatregelen plaats die de economische positie van Joodse marktplachthouders ernstig onder druk zetten. Of dit hier een rol speelt, kan zonder aanvullend archiefonderzoek naar de persoon Papegaay niet met zekerheid worden vastgesteld, maar het kader van de vroege bezettingstijd maakt de "moeilijke omstandigheden" zeer invoelbaar.

Locaties

Amsterdam