Getypte brief (doorslag op dun papier) met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte brief (doorslag op dun papier) met handgeschreven kanttekeningen. 9 augustus 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). [Handgeschreven, linksboven:] Verzonden 9/8
[Handgeschreven, rechtsboven:] M de Leer [?]
[Rechtsboven:] VP/HG.
den Heer M. Speyer,
1e Jan Steenstraat 103 II,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 17.
25/144/2 M. 9 Augustus 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 24 Juli jl. bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging in aanmerking kan komen. Indien U voortaan Uw plaats niet regelmatig bezet, zal deze worden ingetrokken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten.
De Directeur, Deze brief is een officiële afwijzing van een verzoek dat door de heer M. Speyer op 24 juli 1940 was ingediend. De aard van het verzoek wordt niet expliciet vermeld, maar de context wijst op zaken gerelateerd aan een marktplaatsvergunning. De directeur waarschuwt de ontvanger expliciet dat zijn marktplaats ingetrokken zal worden als hij deze niet regelmatig bezet, verwijzend naar het 'Reglement op de Markten'.
De nadrukkelijke onderstrepingen van de woorden "niet" en "Uw" (in de zin "Uw plaats") geven de tekst een dwingende en formele toon. De handgeschreven notitie "Verzonden 9/8" duidt op de administratieve verwerking van het document. De datum van de brief, 9 augustus 1940, is van historisch belang. Het is slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode begonnen de bezetter en de collaborerende instanties met het invoeren van beperkende maatregelen, die in het bijzonder de Joodse bevolking troffen.
De achternaam 'Speyer' is een veelvoorkomende Joods-Nederlandse naam en de 1e Jan Steenstraat ligt in de Pijp, een buurt die destijds een aanzienlijke Joodse populatie kende. De dreiging met het intrekken van een marktvergunning wegens 'onregelmatig gebruik' was een methode die later in de oorlog vaker werd ingezet om Joodse handelaren van de markt te weren, nog voordat er expliciete verboden kwamen. Hoewel deze brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve handeling lijkt, krijgt hij tegen de achtergrond van de vroege bezettingsjaren en de anti-Joodse maatregelen een sinistere bijklank. M. Speyer