Archief 745
Inventaris 745-322
Pagina 387
Dossier 7
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief of intern rapport (doorslag of stencil).

Ongeveer 1928-1930 (gezien de verwijzing naar de Opiumwet van 12 mei 1928). Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam).

Origineel

Getypte ambtelijke brief of intern rapport (doorslag of stencil). Ongeveer 1928-1930 (gezien de verwijzing naar de Opiumwet van 12 mei 1928). De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). De mededeeling in het onderhavige stuk, dat allerlei artikelen op de markten van de hand gaan, die alleen door den apotheker op recept mogen worden verkocht is, reeds daarom onjuist, omdat dergelijke artikelen niet bestaan. Krachtens artikel 13 der bovengenoemde Wet van 1 Juni 1865 (S.61) kunnen apothekers aan hen bekende personen in bepaalde gevallen, ook zonder recept, vergiftige zelfstandigheden afleveren. Slechts bepaalde in de Opiumwet (Wet van 12 Mei 1928 S.167) genoemde artikelen mogen niet alleen niet worden afgeleverd, doch zelfs niet voorradig zijn bij anderen dan apothekers en geneeskundigen. De heer De Fouw verklaarde het uitgesloten te achten, dat artikelen als in de Opiumwet bedoeld op markten hier ter stede verkrijgbaar zouden zijn.

Ten aanzien van de in "De Telegraaf" gepubliceerde foto's merkte Dr. De Fouw nog op, dat op deze foto's voorkomen: een zakje inhoudende semen strychni, waarvan (de voorschriften van het Marktwezen daargelaten) de verkoop beneden 100 gram niet is toegestaan, terwijl het op de foto niet is te zien, of hier al dan niet meer dan 100 gram aanwezig is. Voorts is op dezelfde foto afgebeeld, blijkens opschrift op het fleschje, 100 gram chloretum hydrargyricum, waarvan, krachtens de Wet, de verkoop boven 50 gram is toegestaan. De op de onderste foto afgebeelde flesch houdt blijkbaar in liquor digitalis, welke in hoeveelheden van meer dan 100 gram mag worden verkocht. De bedoelde flesch leek Dr. De Fouw inderdaad een grooteren inhoud dan 100 gram te hebben.

Ten aanzien van den verkoop van vergiften in publieke veilingen, waarover het geciteerde artikel van den heer Van Ledden Hulsebosch uitsluitend handelt (en niet over verkoop op het Waterlooplein) deelde de heer De Fouw nog mede, dat de bona fide houders van verkooplokalen alhier, hem steeds waarschuwen, wanneer vergiften ten verkoop worden aangeboden. Vanwege de Inspectie van de Volksgezondheid wordt die verkoop dan onmogelijk gemaakt. Uiteraard heeft het Marktwezen hiermede niet te maken.

Tenslotte diene, dat ik in het onderhavige krantenartikel - hoe oncontroleerbaar en zelfs onjuist het ook zij - aanleiding heb gevonden het personeel andermaal op te dragen ten strengste op de naleving van de ten deze geldende voorschriften (artikel 8 van de Verordening op den dienst van het Marktwezen en artikel 30 lid 4 van het Reglement op de Markten) toe te zien.

De Directeur, De kern van dit document is een ambtelijke weerlegging van een krantenbericht in De Telegraaf. In dat bericht werd gesuggereerd dat er op markten (zoals het Waterlooplein) illegaal medicijnen en gifstoffen werden verkocht die enkel op recept verkrijgbaar zouden mogen zijn.

De auteur (de Directeur) voert twee belangrijke argumenten aan:
1. Juridische nuance: Hij wijst erop dat de wetgeving van 1865 en 1928 toestaat dat bepaalde giftige stoffen buiten recept om verkocht worden, mits aan specifieke voorwaarden (zoals hoeveelheid) wordt voldaan. Alleen stoffen die onder de Opiumwet vallen, zijn strikt voorbehouden aan medici.
2. Feitelijke analyse van bewijsmateriaal: Dr. De Fouw analyseert de foto's in de krant en stelt vast dat de getoonde hoeveelheden van stoffen zoals semen strychni (strychninezaad), chloretum hydrargyricum (kwikchloride) en liquor digitalis (vingerhoedskruid-oplossing) mogelijk binnen de wettelijke marges vallen voor vrije verkoop.

Ondanks de verdedigende toon, besluit de Directeur toch om de marktmeesters extra instructies te geven om de reglementen streng te handhaven, om verdere negatieve publiciteit te voorkomen. Dit document biedt een inkijkje in de strijd tegen illegale handel in medicijnen en narcotica aan het begin van de 20e eeuw. De referentie naar de Opiumwet van 12 mei 1928 is cruciaal; dit was de eerste moderne Nederlandse drugswetgeving die voortkwam uit internationale verdragen (zoals het Haagse Opiumverdrag).

De genoemde C.J. van Ledden Hulsebosch was een pionier in de Nederlandse forensische wetenschap en trad vaak op als deskundige. Dat hij in De Telegraaf schreef over misstanden op markten, werd door de autoriteiten zeer serieus genomen, ook al proberen ze de claims in dit document te minimaliseren. Het document laat ook zien dat de grenzen tussen 'gifstoffen' (die vaak industrieel of als bestrijdingsmiddel werden gebruikt) en 'medicijnen' indertijd nog erg fluïde waren in de praktijk van de markthandel.

Samenvatting

De kern van dit document is een ambtelijke weerlegging van een krantenbericht in De Telegraaf. In dat bericht werd gesuggereerd dat er op markten (zoals het Waterlooplein) illegaal medicijnen en gifstoffen werden verkocht die enkel op recept verkrijgbaar zouden mogen zijn.

De auteur (de Directeur) voert twee belangrijke argumenten aan:
1. Juridische nuance: Hij wijst erop dat de wetgeving van 1865 en 1928 toestaat dat bepaalde giftige stoffen buiten recept om verkocht worden, mits aan specifieke voorwaarden (zoals hoeveelheid) wordt voldaan. Alleen stoffen die onder de Opiumwet vallen, zijn strikt voorbehouden aan medici.
2. Feitelijke analyse van bewijsmateriaal: Dr. De Fouw analyseert de foto's in de krant en stelt vast dat de getoonde hoeveelheden van stoffen zoals semen strychni (strychninezaad), chloretum hydrargyricum (kwikchloride) en liquor digitalis (vingerhoedskruid-oplossing) mogelijk binnen de wettelijke marges vallen voor vrije verkoop.

Ondanks de verdedigende toon, besluit de Directeur toch om de marktmeesters extra instructies te geven om de reglementen streng te handhaven, om verdere negatieve publiciteit te voorkomen.

Historische Context

Dit document biedt een inkijkje in de strijd tegen illegale handel in medicijnen en narcotica aan het begin van de 20e eeuw. De referentie naar de Opiumwet van 12 mei 1928 is cruciaal; dit was de eerste moderne Nederlandse drugswetgeving die voortkwam uit internationale verdragen (zoals het Haagse Opiumverdrag).

De genoemde C.J. van Ledden Hulsebosch was een pionier in de Nederlandse forensische wetenschap en trad vaak op als deskundige. Dat hij in De Telegraaf schreef over misstanden op markten, werd door de autoriteiten zeer serieus genomen, ook al proberen ze de claims in dit document te minimaliseren. Het document laat ook zien dat de grenzen tussen 'gifstoffen' (die vaak industrieel of als bestrijdingsmiddel werden gebruikt) en 'medicijnen' indertijd nog erg fluïde waren in de praktijk van de markthandel.

Gerelateerde Documenten 3