Archief 745
Inventaris 745-322
Pagina 386
Dossier 29
Jaar 1940
Stadsarchief

Ambbtelijke brief/nota.

3 september 1940. Van: Waarschijnlijk de Dienst van het Marktwezen (kenmerk vP/HG).

Origineel

Ambbtelijke brief/nota. 3 september 1940. Waarschijnlijk de Dienst van het Marktwezen (kenmerk vP/HG). vP/HG.

[Handgeschreven: Verzonden 3/9]

30/52/2 M.
n 2

3 September 1940.

Artikel in "De Telegraaf" van
21 Augustus 1940 inzake ver-
koop van vergiften op dagmarkt
Waterlooplein.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Onder terugzending van het met Uw apostille no.798 L.M.
1940 d.d. 23 Augustus jl. om spoedig advies ontvangen stuk heb
ik de eer U in bijlage dezes een afschrift te doen toekomen van
een op 29 Augustus jl. naar aanleiding van dit stuk door den
waarnemenden inspecteur van mijn dienst opgemaakt rapport.
Ik kan hieraan nog toevoegen, dat dezerzijds terzake
van het onderhavige onderwerp een bespreking is gevoerd met den
heer Dr.P.L.de Fouw, Inspecteur van de Volksgezondheid te Am-
sterdam, die van oordeel is, dat de gemeente Amsterdam met
haar voorschrift, houdende een verbod van verkoop van genees-
middelen op de markten, reeds zeer ver is gegaan en wel veel
verder, dan de Rijkswetgever, die een dergelijk algemeen ver-
bod niet kent. Krachtens artikel 30 van de Wet regelende de
uitoefening der Artsenijbereidkunst (1 Juni 1865 Staatsblad
61), mogen geneesmiddelen niet worden verkocht beneden een be-
paalde voor elk middel vastgestelde hoeveelheid, tenzij de
verkoop geschiedt door apothekers of geneeskundigen tot het
afleveren van geneesmiddelen bevoegd. De bedoelde hoeveelheden
zijn vastgesteld bij lijst C, behoorende bij de beschikking
van den Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid van 26 Janu-
ari 1927, zooals deze later is gewijzigd en aangevuld. Indien
artikel 8 van de Verordening op den dienst van het Marktwezen
niet anders bepaalde - en het is de vraag in hoeverre dit
voorschrift in verband met het feit, dat deze aangelegenheid
wettelijk geregeld is, verbindend moet worden geacht, - zouden
op de markten hier ter stede alle geneesmiddelen (behalve die
bedoeld in de Opiumwet Staatsblad 1928 No.137) mogen worden
verkocht, mits slechts in grootere hoeveelheden dan in de lijst
C staat aangegeven. Dit zelfde geldt ten aanzien van drogisten,
die evenzeer aan de Wet en de daarbij behoorende lijst gebon-
den zijn, doch die de desbetreffende bepalingen veelvuldig
overtreden. Wanneer in het artikel in "De Telegraaf" dan ook
wordt voorgegeven, dat marktkooplieden op het Waterlooplein
voorraden van drogisten zouden opkoopen, dan dient dienaan-
gaande te worden opgemerkt, dat - gesteld dat dit waar zou
zijn - de marktkooplieden krachtens de Wet niet meer noch min-
der in overtreding zijn dan de drogisten. Dit document is een ambtelijke reactie op een klacht of signalering in de krant De Telegraaf over de ongecontroleerde verkoop van medicijnen op de Waterloopleinmarkt. De kern van het betoog is juridisch-technisch:
1. Conflict van regelgeving: Er is een spanning tussen de gemeentelijke marktverordening (die streng is en verkoop verbiedt) en de nationale wetgeving (de Wet op de Artsenijbereidkunst uit 1865).
2. Lijst C: Volgens de landelijke wet mogen niet-apothekers bepaalde middelen wel verkopen, mits in grote hoeveelheden (boven de limieten van de zogenaamde 'Lijst C'). De gemeente Amsterdam hanteert echter een strenger totaalverbod voor markten.
3. Handhaving: De schrijver merkt op dat drogisten de wet ook vaak overtreden. Als marktkooplieden hun waar van drogisten betrekken, zijn zij in feite "niet meer noch minder in overtreding" dan die drogisten zelf. De toon is verdedigend ten opzichte van de markthandel en enigszins kritisch op de Amsterdamse strengheid vergeleken met de landelijke wet. De datum van het document, 3 september 1940, plaatst de brief in de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland (slechts vier maanden na de capitulatie). Hoewel de brief strikt gaat over de handel in geneesmiddelen, is de locatie Waterlooplein van historisch belang. Het Waterlooplein was het hart van de Joodse buurt in Amsterdam en de centrale marktplaats voor veel Joodse handelaren. In deze periode begonnen de eerste restricties tegen de Joodse bevolking en hun economische activiteiten vorm te krijgen, hoewel deze specifieke brief zich nog beperkt tot algemene marktregulering en farmaceutische wetgeving. Het genoemde artikel in De Telegraaf (dat in de oorlogstijd bleef verschijnen onder Duits toezicht) paste in een trend van 'misstanden' aankaarten die soms gebruikt werden als voorwendsel voor strenger optreden op markten in Joodse wijken.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijke reactie op een klacht of signalering in de krant De Telegraaf over de ongecontroleerde verkoop van medicijnen op de Waterloopleinmarkt. De kern van het betoog is juridisch-technisch:
1. Conflict van regelgeving: Er is een spanning tussen de gemeentelijke marktverordening (die streng is en verkoop verbiedt) en de nationale wetgeving (de Wet op de Artsenijbereidkunst uit 1865).
2. Lijst C: Volgens de landelijke wet mogen niet-apothekers bepaalde middelen wel verkopen, mits in grote hoeveelheden (boven de limieten van de zogenaamde 'Lijst C'). De gemeente Amsterdam hanteert echter een strenger totaalverbod voor markten.
3. Handhaving: De schrijver merkt op dat drogisten de wet ook vaak overtreden. Als marktkooplieden hun waar van drogisten betrekken, zijn zij in feite "niet meer noch minder in overtreding" dan die drogisten zelf. De toon is verdedigend ten opzichte van de markthandel en enigszins kritisch op de Amsterdamse strengheid vergeleken met de landelijke wet.

Historische Context

De datum van het document, 3 september 1940, plaatst de brief in de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland (slechts vier maanden na de capitulatie). Hoewel de brief strikt gaat over de handel in geneesmiddelen, is de locatie Waterlooplein van historisch belang. Het Waterlooplein was het hart van de Joodse buurt in Amsterdam en de centrale marktplaats voor veel Joodse handelaren. In deze periode begonnen de eerste restricties tegen de Joodse bevolking en hun economische activiteiten vorm te krijgen, hoewel deze specifieke brief zich nog beperkt tot algemene marktregulering en farmaceutische wetgeving. Het genoemde artikel in De Telegraaf (dat in de oorlogstijd bleef verschijnen onder Duits toezicht) paste in een trend van 'misstanden' aankaarten die soms gebruikt werden als voorwendsel voor strenger optreden op markten in Joodse wijken.

Gerelateerde Documenten 3