Krantenknipsel (bericht van een correspondent).
Origineel
Krantenknipsel (bericht van een correspondent). 16 april (vermoedelijk 1940, gezien de context van de Tweede Wereldoorlog en de genoemde scheepsincidenten). Nog vrij veel treilers in bedrijf
Het uitvaren gaat weer wat vlotter.
(Van onzen correspondent.)
IJmuiden, 16 April.
Verschillende omstandigheden hebben er toe bijgedragen de visscherij op de Noordzee langzaam maar zeker weer wat op dreef te helpen. Gedurende de geheele vorige week was de animo om te varen zeer gering, maar deze week gaat het weer beter. Alles bijeen zijn er op het oogenblik nog een veertig treilers in bedrijf, waarvan er ongeveer dertig op zee zijn. Het aantal opgelegde booten is op deze wijze terug geloopen tot ongeveer vijftien. Dit zijn alle zeer oude schepen, waarvan verschillende reeds voor sloop in aanmerking zijn gekomen.
De snelle ontwikkeling der gebeurtenissen ter zee heeft intusschen het geheele aspect van de visscherij veranderd. Vroeger kreeg de IJmuidensche markt grooten aanvoer van de z.g. Noordbooten, die ongeveer op den zestigsten graad N.B. vischten. Het aantal van deze Noordbooten is zeer sterk geslonken, daar bijna al de voor deze verre visscherij geschikte schepen door de marine zijn gerequireerd. De weinige treilers welke nog „op de zestig” te gebruiken waren blijven daar thans, na het gebeurde met de „Adelante”, die geheel stilliggend werd beschoten, maar liever uit de buurt. Zij komen thans niet veel noordelijker dan 58 gr. N.B.
Het spreekt vanzelf, dat de tijdelijke inzinking van den aanvoer ook een ongunstigen invloed heeft geoefend op de markt. Gelukkig hebben de loggers en kotters vrij regelmatig doorgevischt, zoodat er althans eenige aanvoer bleef. Deze mindere aanvoeren van de laatste weken hebben ook invloed geoefend op de resultaten van het onlangs ingestelde „kopgebod”. Deze opbrengst bleef beneden de verwachtingen, maar was toch nog aanmerkelijk. In de eerste acht dagen waarin het gebod van kracht was, leverde het bijna 40.000 kg grondstof voor de puffabrieken op.
Het kopgebod is er althans te IJmuiden betrekkelijk makkelijk ingegaan. Alleen zijn er protesten gekomen tegen het feit, dat wel stijve kabeljauw-met-kop vervoerd mag worden en dat deze uitzonderingsbepaling niet van kracht is voor de stijve leng. De mogelijkheid is geenszins uitgesloten, dat alsnog aan een desbetreffend verzoek van de handelaren zal worden voldaan.
De aard van de vangsten, die in IJmuiden ter markt worden gebracht, is merkwaardig. De schepen vangen veel tong en maken daardoor besommingen die vrij goed genoemd kunnen worden.
Wat deze groote tongenvangsten betreft doen voortdurend geruchten de ronde, dat deze in of vlak bij de mijnenvelden worden gemaakt. Zelfs vertelde een schipper, dat het wel weer eens mis zou loopen, aangezien de visschers steeds roekeloozer worden. Hetzelfde verschijnsel heeft zich ook tijdens den Wereldoorlog voorgedaan, zoodat het thans ook zeer wel mogelijk is, dat dergelijke dingen gebeuren. Hoe het ook zij, in ieder geval tracht men naar buiten van deze practijken zoo weinig mogelijk te doen uitlekken. Wie voor deze dingen in laatste instantie verantwoordelijk moet worden geacht is op het eerste gezicht niet uit te maken. Dat het echter uitsluitend roekeloosheid van de zijde der bemanningen zou zijn, valt moeilijk aan te nemen. * Visserijvloot: Er is sprake van een lichte heropleving van de visserijactiviteit, hoewel een aanzienlijk deel van de vloot (de moderne 'Noordbooten') is gevorderd door de marine.
* Geografische beperkingen: Door oorlogsdreiging en incidenten (zoals de beschieting van de Adelante) vissen de schepen minder noordelijk dan voorheen (tot 58 graden N.B. in plaats van 60 graden).
* Regelgeving: Het 'kopgebod' verplicht vissers om de koppen van de vis mee terug te nemen naar de haven als grondstof voor 'puffabrieken' (vismeelfabrieken), wat duidt op een behoefte aan efficiëntie en grondstoffen in oorlogstijd.
* Economie en Risico: Er worden hoge winsten ('besommingen') gemaakt met de vangst van tong. Er zijn sterke aanwijzingen dat vissers enorme risico's nemen door vlakbij mijnenvelden te vissen, waar de visstand door de afwezigheid van reguliere scheepvaart waarschijnlijk hoger is. Dit artikel dateert van 16 april 1940, minder dan een maand voor de Duitse inval in Nederland. Nederland was op dat moment nog neutraal, maar de dreiging op de Noordzee was groot door de strijd tussen Groot-Brittannië en Duitsland.
Het genoemde schip, de IJM 220 'Adelante', werd in februari 1940 op de Noordzee door een Duits oorlogsschip (of vliegtuig, bronnen variëren) onderschept of beschoten, wat destijds veel onrust veroorzaakte onder Nederlandse vissers. De vordering van schepen door de marine wijst op de Nederlandse mobilisatie. Het vissen nabij mijnenvelden was een bekend fenomeen uit zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog: vissers zochten de randen van deze gevaarlijke zones op omdat daar niet intensief gevist werd, wat resulteerde in zeer rijke vangsten, ondanks het levensgevaar.