Getypte brief / ambtelijk advies.
Origineel
Getypte brief / ambtelijk advies. 6 oktober 1941. Onbekend (waarschijnlijk een gemeentelijke afdeling belast met marktwezen of voedselvoorziening). [Links boven:]
VD/HG.
46A/40/7 M.
[Rechts boven:]
6 October 1941.
[Links midden:]
Klacht L.Roosman inzake
mosselenverkoop.
VERTROUWELIJK.
[Rechts midden:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[In de marge handgeschreven in blauw:]
Extra
[Hoofdtekst:]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 30 September jl. om spoedig advies ontvangen stuk No.925 L.M.1941 heb ik de eer U, voor wat betreft de te Amsterdam getroffen regeling voor den afzet van mosselen, te verwijzen naar mijn brief van 30 September jl. No.46A/40/4 M., in welken brief een en ander uitvoerig wordt behandeld. Zooals ik daar uiteenzette, heeft de groothandel in visch te dezer stede zich vrijwel nimmer met den verkoop van mosselen beziggehouden.
Vóór het jaar 1940 is door dezen groothandel in het geheel niet met mosselen gehandeld; in dat jaar heeft adressant eenmaal een schuit met mosselen aangevoerd, waarvoor echter voor 2/3 gedeelte geen afzet kon worden gevonden, zoodat dit gedeelte moest worden vernietigd; daarna heeft hij een wagon doen aanvoeren, welke eveneens moeilijk verkoopbaar bleek. Hij heeft zich toen in verbinding gesteld met de voor een Zeeuwschen handelaar optredende verkoopcombinatie Lammers en verzocht om in deze combinatie te worden opgenomen; hij garandeerde daarbij een afname van 600 balen mosselen per week. Reeds de eerste week kon hij hieraan echter niet voldoen (zijn afname bedroeg slechts 3 balen), reden waarom hij de combinatie weer spoedig moest verlaten. Toen heeft hij nog eenmaal een wagon mosselen aan de markt gebracht, hetgeen evenmin een succes bleek, waarop adressant voorgoed den aanvoer van mosselen heeft gestaakt.
Zooals ik in mijn bovenaangehaalden brief vermeldde, bestond er aan het inschakelen van den groothandel te dezer stede geen enkele behoefte. De Directeur van de Visscherijcentrale achtte het voor de verzekering van een regelmatige voorziening van Amsterdam met mosselen ten zeerste noodig, dat vanwege de gemeente toezicht op den afzet zou worden gehouden, speciaal met het oog op de verdeeling, waartoe dezen winter, wanneer – naar verwacht wordt – vraag den aanvoer zal overschrijden, zal moeten worden overgegaan.
[Linksonder:]
/de De brief is een ambtelijke reactie op een klacht van een handelaar genaamd L. Roosman. Roosman beklaagt zich kennelijk over de huidige organisatie van de mosselverkoop in Amsterdam, waar hij schijnbaar buiten wordt gehouden.
De auteur van de brief adviseert de wethouder om de klacht af te wijzen. Hiervoor worden twee hoofdargumenten aangedragen:
1. Gebrek aan historische expertise/succes: De Amsterdamse visgroothandel heeft zich historisch gezien nooit met mosselen beziggehouden. Specifiek wordt de mislukte poging van de klager (adressant) in 1940 aangehaald. Roosman slaagde er toen niet in zijn voorraad te verkopen (waardoor 2/3 vernietigd moest worden) en kon zijn contractuele verplichtingen bij de firma Lammers (slechts 3 balen afgenomen van de beloofde 600) niet nakomen.
2. Behoefte aan centrale regie: Gezien de oorlogsomstandigheden en de verwachte schaarste in de komende winter, is gemeentelijk toezicht op de distributie ("verdeeling") noodzakelijk volgens de Directeur van de Visscherijcentrale. Het inschakelen van de particuliere groothandel wordt daarom als overbodig en onwenselijk beschouwd. Het document dateert van oktober 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De voedselvoorziening werd in deze periode steeds strakker gereguleerd door de overheid via de Rijksbureaus en organen zoals de Visscherijcentrale.
Mosselen waren tijdens de oorlogsjaren een belangrijke vervanger voor vlees, dat steeds schaarser werd op de bon. Omdat de vraag naar verwachting groter zou worden dan het aanbod, greep de overheid (hier de gemeente Amsterdam onder toezicht van centrale organen) in om de distributie te beheersen en woekerprijzen of een zwarte markt te voorkomen. De brief illustreert de verschuiving van een vrije markt naar een door de staat gecontroleerde distributie-economie, waarbij individuele handelaren die 'gefaald' hadden in de ogen van de ambtenarij, makkelijk opzij werden geschoven.