Handgeschreven brief.
Origineel
Handgeschreven brief. 30 juni 1942. Maurits de Haas, Retiefstraat 64 hs, Amsterdam. Directeur van het Marktwezen te Amsterdam. [Stempel linksboven:]
№ 101/4/1 M. 1941 22/7
[Rechtsboven:]
Aan den
Directeur van het Marktwezen te Amsterdam.
[Rechtsboven, onder de geadresseerde:]
A’dam 30 Juni 1942.
[Handgeschreven aantekening in potlood/andere inkt:] M.i. brief (shoir) / (Lijder ...)
Weledele Heer,
Bij het aanvragen van een vergunning voor het venten met de lompenkar bij het Rijksbureau voor oude materialen en afvalstoffen te Den Haag, kreeg ik de mededeling, dat ik niet voorkom op de lijst van gemeentelijke vergunningshouders te Amsterdam.
Ik meen te weten, dat dit een abuis moet zijn, daar ik al jaren lang een vergunning voor het venten met de lompenkar in bezit heb. Ook vorig jaar werd ik op Uw bureau ontboden om ingeschreven te worden op Uw vergunningslijst als bonafide lompenventer. Hierbij sluit ik in, de brief die ik van het bovengenoemd bureau heb ontvangen. Hopelijk wilt U zo goed zijn deze kwestie zo spoedig mogelijk in het reine te willen brengen, en het bovengenoemd bureau in den Haag ervan op de hoogte te stellen.
Hoogachtend
M. de Haas
Maurits de Haas.
Retiefstraat 64 hs. A’dam (O) (oud adres: Retiefstr. 64 III)
Vergunning Serie 27 № 60.
[Rechtsonder:]
101 De brief is een formeel verzoek van Maurits de Haas aan de Directeur van het Marktwezen om een administratieve fout te herstellen. De Haas is een "lompenventer" (handelaar in oude metalen, textiel en afval) die al jaren over een Amsterdamse vergunning beschikt. Wanneer hij echter een nationale vergunning probeert aan te vragen bij het Rijksbureau in Den Haag, blijkt hij niet op de door de gemeente Amsterdam aangeleverde lijst van erkende vergunninghouders te staan.
De toon van de brief is beleefd doch dringend. De Haas benadrukt dat hij een "bonafide" handelaar is en herinnert de directeur eraan dat hij vorig jaar nog persoonlijk op het bureau is ontboden voor registratie. Hij voegt bewijsstukken toe (de brief uit Den Haag) en vraagt om een snelle afhandeling zodat zijn nationale aanvraag niet in gevaar komt. De details onderaan de brief, inclusief zijn specifieke vergunningsnummer (Serie 27 № 60), dienen als bewijs voor zijn rechtmatige status. Dit document is gedateerd op 30 juni 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De context is hierbij cruciaal:
- Centrale Planning: Het "Rijksbureau voor oude materialen en afvalstoffen" was een instantie die door de bezetter werd gebruikt om de distributie en recycling van schaarse grondstoffen te controleren ten behoeve van de oorlogseconomie. Zonder registratie bij dit bureau mocht een handelaar niet opereren.
- Joodse Context: De afzender, Maurits de Haas, woonde in de Retiefstraat in de Transvaalbuurt. Dit was een wijk met een zeer grote Joodse populatie. In juni 1942 was de uitsluiting van Joden uit het economische leven in volle gang en de eerste grootschalige deportaties uit Amsterdam stonden op het punt te beginnen (juli 1942).
- Administratieve Uitsluiting: Hoewel de brief spreekt van een "abuis" (fout), moet men in deze periode rekening houden met het feit dat Joodse ondernemers en ambachtslieden stelselmatig uit officiële registers werden geschrapt of dat hun vergunningen niet werden verlengd als onderdeel van de anti-Joodse maatregelen. De poging van De Haas om zijn status als "bonafide" ondernemer te bevestigen, was in feite een poging om zijn legale bestaansrecht en middel van bestaan te behouden in een steeds vijandiger wordende bureaucratie.