Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 125
Dossier 5
Jaar 1941
Stadsarchief

Archiefdocument

Na 1930 (gebaseerd op de referentie naar de beroepstelling van 1930) en waarschijnlijk van voor 1940.

Origineel

Na 1930 (gebaseerd op de referentie naar de beroepstelling van 1930) en waarschijnlijk van voor 1940. -15-
Bijlage Schatting van de te verwachten bevolkingsgrootte in de Zuidelijke polders.


De toekomstige bevolkingsgrootte in de nieuwe polders kan langs twee wegen worden afgeleid. Ten eerste door vergelijking met bestaande landbouwgebieden, ten tweede door berekening van de arbeidsbehoefte in de nieuwe polders, dus op zuiver rationeelen grondslag. Het volgende staatje geeft op den grondslag der beroepstelling-1930 de berekening volgens de eerstgenoemde methode¹⁾.

Noordelijke bouwstreek in Groningen²⁾ Kleibouwstreek in Friesland³⁾ Hoeksche Waard Zuidbeve-land⁴⁾
oppervlakte in ha 50206 59869 29881 35260
mannelijke agrarische bedrijfshoofden 1645 4528 1220 2004
agrarische beroepsbevolking 8922 13882 6011 9291
geheele beroepsbevolking 17953 24393 13306 16224
inwonertal 46426 64081 36753 41609
oppervlakte in ha per:
mannelijk agrarisch bedrijfshoofd 30,5 13,2 24,5 17,6
persoon in agrarisch beroep 5,63 4,31 4,97 3,80
persoon in beroep 2,80 2,45 2,25 2,17
inwohner 1,08 0,93 0,81 0,85

1) Deze methode werd toegepast door Ir. Th.K. van Lohuizen in het rapport "Het toekomstig landschap der Zuiderzeepolders", Bijlage A, Amsterdam z.j. (1928).
2) zonder Appingedam.
3) zonder Franeker, Harlingen en Dokkum.
4) zonder Goes.

In evenredigheid berekend voor de Zuidelijke polders in het IJsselmeer: Volgens de Noordelijke bouwstreek in Groningen Volgens de Friesche kleibouwstreek Volgens de Hoeksche Waard Volgens Zuidbe-veland
mannelijke agrarische bedrijfshoofden 4951 11439 6163 8580
personen in agrarisch beroep 26821 35035 30382 39737
personen in beroep 53929 61633 67111 69585
inwoners 139815 162366 186420 177647

Volgens deze rekenwijze zou de toekomstige bevolking 140000 zielen tot benedengrens en 186000 zielen tot bovengrens hebben.

Om de tweede rekenwijze toe te kunnen passen, moet men beschikken over de uitkomsten van waarnemingen, aangaande de aantallen arbeidsuren, die op bedrijven van vergelijkbare grootte en grondsoort aan algemeene bedrijfswerkzaamheden en aan de onderscheiden landbouwgewassen * Methodologie: Het document hanteert een comparatieve methode (analogie) waarbij bestaande landbouwgebieden met een vergelijkbaar profiel (kleigrond en akkerbouw) als referentiekader dienen voor de nog in te richten polders.
* Terminologie: Er wordt gesproken over "mannelijke agrarische bedrijfshoofden", wat de toenmalige maatschappelijke structuur weerspiegelt waarin de man als hoofdkostwinner en bedrijfshouder werd geteld. De term "zielen" wordt hier als synoniem voor inwoners gebruikt, wat gebruikelijk was in statistische rapportages uit die tijd.
* Sociaal-economische indicatoren: De tabellen maken een onderscheid tussen de agrarische beroepsbevolking en de "geheele beroepsbevolking", wat aangeeft dat men ook toen al rekening hield met de noodzaak van secundaire en tertiaire sectoren (ambachten, handel, diensten) in een agrarisch gebied.
* Nauwkeurigheid: De berekeningen gaan tot op twee decimalen voor de oppervlakteverhoudingen en tot op de eenheid voor de geprojecteerde bevolkingsaantallen, wat een hoge mate van precisie in de planning suggereert. Dit document is een cruciaal onderdeel van de voorbereidende studies voor de ontginning van de IJsselmeerpolders, specifiek de "Zuidelijke polders" (tegenwoordig bekend als Oostelijk en Zuidelijk Flevoland).

De verwijzing naar Ir. Th.K. van Lohuizen is historisch significant. Theodoor van Lohuizen was een van de grondleggers van de stedenbouwkundige statistiek en planologie in Nederland. Zijn werk voor de Dienst der Zuiderzeewerken legde de basis voor hoe men niet alleen land won op het water, maar ook een volledig nieuwe samenleving ontwierp "op de tekentafel".

De vergelijking met gebieden als de Hoeksche Waard en de Noordelijke bouwstreek in Groningen toont aan dat men zocht naar een optimaal landbouwmodel: grootschalig genoeg voor efficiëntie, maar met voldoende bevolkingsdichtheid om sociale voorzieningen en dorpsgemeenschappen levensvatbaar te maken. De geschatte marge van 140.000 tot 186.000 inwoners geeft de bandbreedte aan waarbinnen de ruimtelijke ordening van de polders werd vormgegeven.

Samenvatting

  • Methodologie: Het document hanteert een comparatieve methode (analogie) waarbij bestaande landbouwgebieden met een vergelijkbaar profiel (kleigrond en akkerbouw) als referentiekader dienen voor de nog in te richten polders.
  • Terminologie: Er wordt gesproken over "mannelijke agrarische bedrijfshoofden", wat de toenmalige maatschappelijke structuur weerspiegelt waarin de man als hoofdkostwinner en bedrijfshouder werd geteld. De term "zielen" wordt hier als synoniem voor inwoners gebruikt, wat gebruikelijk was in statistische rapportages uit die tijd.
  • Sociaal-economische indicatoren: De tabellen maken een onderscheid tussen de agrarische beroepsbevolking en de "geheele beroepsbevolking", wat aangeeft dat men ook toen al rekening hield met de noodzaak van secundaire en tertiaire sectoren (ambachten, handel, diensten) in een agrarisch gebied.
  • Nauwkeurigheid: De berekeningen gaan tot op twee decimalen voor de oppervlakteverhoudingen en tot op de eenheid voor de geprojecteerde bevolkingsaantallen, wat een hoge mate van precisie in de planning suggereert.

Historische Context

Dit document is een cruciaal onderdeel van de voorbereidende studies voor de ontginning van de IJsselmeerpolders, specifiek de "Zuidelijke polders" (tegenwoordig bekend als Oostelijk en Zuidelijk Flevoland).

De verwijzing naar Ir. Th.K. van Lohuizen is historisch significant. Theodoor van Lohuizen was een van de grondleggers van de stedenbouwkundige statistiek en planologie in Nederland. Zijn werk voor de Dienst der Zuiderzeewerken legde de basis voor hoe men niet alleen land won op het water, maar ook een volledig nieuwe samenleving ontwierp "op de tekentafel".

De vergelijking met gebieden als de Hoeksche Waard en de Noordelijke bouwstreek in Groningen toont aan dat men zocht naar een optimaal landbouwmodel: grootschalig genoeg voor efficiëntie, maar met voldoende bevolkingsdichtheid om sociale voorzieningen en dorpsgemeenschappen levensvatbaar te maken. De geschatte marge van 140.000 tot 186.000 inwoners geeft de bandbreedte aan waarbinnen de ruimtelijke ordening van de polders werd vormgegeven.