Archief 745
Inventaris 745-384
Pagina 386
Dossier 100
Jaar 1942
Stadsarchief

Officieel schrijven (afschrift van een brief).

14 juli 1942. Van: De wnd. (waarnemend) leider van de afdeeling, Westhoff. Aan: De Nederlandsche Visscherijcentrale, 's-Gravenhage.

Origineel

Officieel schrijven (afschrift van een brief). 14 juli 1942. De wnd. (waarnemend) leider van de afdeeling, Westhoff. De Nederlandsche Visscherijcentrale, 's-Gravenhage. CENTRALE CRISIS-CONTROLEDIENST.

afschrift.

Afdeeling Spijsvetten en Visscherij
Aan:
de Nederlandsche Visscherijcentrale
Adelheitstraat 300,
's-GRAVENHAGE.-

7.6.-/3797/V/TA

levering Amsterdam

14 Juli 1942

Bij C. Mooijer te Volendam werd een mijner controleurs medegedeeld, dat betrokkene~~n~~ van d en heer ter Haar te Amsterdam mondeling toestemming had verkregen om aan handelaren in Amsterdam te leveren buiten den afslag om.
Ik verzoek U mij mede te deelen of deze toezegging inderdaad is gedaan en in het bevestigende geval den heer ter Haar erop te wijzen, dat hij niet bevoegd is van een der Uitvoeringsbesluiten af te wijken. Mocht de mededeeling van Mooijer niet op waarheid berusten, dan zal tegen hem een proces-verbaal worden opgemaakt.

Zd DE WND. LEIDER VAN DE AFDEELING
SPIJSVETTEN EN VISSCHERIJ,

Westhoff. In deze brief rapporteert de Centrale Crisis-Controledienst (CCD) een mogelijke onregelmatigheid in de visverkoop tijdens de Duitse bezetting. Een visser of handelaar uit Volendam, C. Mooijer, beweerde tegenover een controleur dat hij toestemming had van een zekere heer Ter Haar om vis direct aan Amsterdamsche handelaren te leveren. Dit is een overtreding van de regels, aangezien vis verplicht via de officiële "afslag" (veiling) verhandeld moest worden om de distributie en prijzen te controleren.

De schrijver (Westhoff) stelt een ultimatum:
1. Als de heer Ter Haar inderdaad toestemming heeft gegeven, moet hij terechtgewezen worden omdat hij de wet (Uitvoeringsbesluiten) niet mag negeren.
2. Als Mooijer heeft gelogen over deze toestemming, zal er direct een proces-verbaal tegen hem worden opgemaakt voor illegale handel. Dit document stamt uit juli 1942, de periode van de Tweede Wereldoorlog waarin de voedselschaarste in Nederland toenam. De Centrale Crisis-Controledienst (CCD) was de instantie die belast was met het toezicht op de naleving van de distributieregels en het bestrijden van de zwarte handel.

Tijdens de bezetting was de economie strak gereguleerd. Voor de visserij betekende dit dat alle vangst via officiële kanalen (de afslag) moest lopen, zodat de bezetter de controle hield over de voedselvoorraad en een deel kon opeisen voor de export naar Duitsland. Het omzeilen van de afslag werd gezien als een economisch delict. De brief illustreert de bureaucratische strengheid en de nauwe controle op de voedselketen in deze periode.

Samenvatting

In deze brief rapporteert de Centrale Crisis-Controledienst (CCD) een mogelijke onregelmatigheid in de visverkoop tijdens de Duitse bezetting. Een visser of handelaar uit Volendam, C. Mooijer, beweerde tegenover een controleur dat hij toestemming had van een zekere heer Ter Haar om vis direct aan Amsterdamsche handelaren te leveren. Dit is een overtreding van de regels, aangezien vis verplicht via de officiële "afslag" (veiling) verhandeld moest worden om de distributie en prijzen te controleren.

De schrijver (Westhoff) stelt een ultimatum:
1. Als de heer Ter Haar inderdaad toestemming heeft gegeven, moet hij terechtgewezen worden omdat hij de wet (Uitvoeringsbesluiten) niet mag negeren.
2. Als Mooijer heeft gelogen over deze toestemming, zal er direct een proces-verbaal tegen hem worden opgemaakt voor illegale handel.

Historische Context

Dit document stamt uit juli 1942, de periode van de Tweede Wereldoorlog waarin de voedselschaarste in Nederland toenam. De Centrale Crisis-Controledienst (CCD) was de instantie die belast was met het toezicht op de naleving van de distributieregels en het bestrijden van de zwarte handel.

Tijdens de bezetting was de economie strak gereguleerd. Voor de visserij betekende dit dat alle vangst via officiële kanalen (de afslag) moest lopen, zodat de bezetter de controle hield over de voedselvoorraad en een deel kon opeisen voor de export naar Duitsland. Het omzeilen van de afslag werd gezien als een economisch delict. De brief illustreert de bureaucratische strengheid en de nauwe controle op de voedselketen in deze periode.