Ambtsbrief/correspondentie.
Origineel
Ambtsbrief/correspondentie. 10 oktober 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst voor de Voedselvoorziening). VD/HB.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
46A/536/5 M. 1. 10 October 1942.
Verzoek L. Toet
toewijzing zeevisch.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 22 Septemb
j.l. om advies ontvangen stuk No. 832 L.M. 1942, heb ik de eer U te
richten, dat uit een deserzijds (naar aanleiding van een overeenko-
stig verzoek van de verdeelingscommissie), ingesteld onderzoek is
bleken, dat adressant in de basisjaren 1939/1940 regelmatig met ze-
visch op de markt Albert Cuypstraat heeft handelgedreven; echter n
met garnalen en zoetwatervisch. De Verdeelingscommissie heeft der-
halve besloten hem alsnog voor een toewijzing zeevisch in aanmerki-
te doen komen.
Ik geef U beleefd in overweging den adressant van een en an
mededeeling te doen.
De Directeur, Deze brief betreft een verzoek van een zekere L. Toet om een officiële toewijzing (vergunning/quotum) voor de handel in zeevis. De Directeur reageert op een adviesaanvraag van de Wethouder voor de Levensmiddelen.
Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat de aanvrager (adressant) in de jaren 1939 en 1940 – de referentieperiode vóór de volledige invoering van het distributiestelsel – inderdaad regelmatig zeevis verkocht op de Amsterdamse Albert Cuypmarkt. Hij handelde destijds echter niet in garnalen of zoetwatervis.
Op basis van dit historische bewijs adviseert de 'Verdeelingscommissie' positief: L. Toet komt in aanmerking voor een toewijzing van zeevis. De Directeur verzoekt de Wethouder om de aanvrager hiervan op de hoogte te stellen. Het document dateert van oktober 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was er sprake van toenemende schaarste en een strikt distributiesysteem voor levensmiddelen.
Om als koopman goederen zoals vis te mogen verkopen, had men een officiële toewijzing nodig van de overheid. De autoriteiten hanteerden hierbij de "basisjaren" 1939/1940 als maatstaf: alleen wie voor de oorlog al in een bepaald product handelde, kwam in principe in aanmerking voor een quotum tijdens de bezetting.
De vermelding van de Albert Cuypstraat bevestigt dat het hier om Amsterdamse lokale geschiedenis gaat. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in die tijd een cruciale functie binnen het gemeentebestuur om de voedselvoorziening van de stad in goede banen te leiden. De zakelijke, bureaucratische toon van de brief is kenmerkend voor de ambtelijke correspondentie uit die tijd, ondanks de penibele oorlogsomstandigheden.