Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 26 maart 1943. G. v. Fliten (of J. v. Fliten), wonende aan de Govert Flinckstraat 204, Amsterdam. De "Weled. Heer Directeur" (vermoedelijk van de Marktdienst/Marktwezen Amsterdam). [Rechtsboven:] 26 - 3 - 1943
[In potlood:] stukken bijvoegen
[In rode inkt:] nu bij [onleesbaar]
[Linksboven stempel:] No. 25/6/1 M. 1943 5/4
[Marginale notitie links, verticaal in rode inkt:]
Kan niet, oorlog [...] koop Pl. [Plaats] al bezet.
[Hoofdtekst:]
Weled. Heer Directeur
Hiermede doe ik een verzoek op uw. alsdat ik wederom in het bezit van mijn marktkaart wordt gesteld. De reden waarom mijn marktkaart is ingetrokken geworden is deze. Omstreeks half Mei heb ik op mijn vaste staanplaats in de Albert Cuypstr. een kleine overtreding begaan. Waarvoor ik een bekeuring heb gekregen en tevens mijn marktkaart werdt ingetrokken De bewuste ambtenaar die mijn die bekeuring gaf moest toe weten waar waar die handel van daan was gekomen Ik heb hem dat dan ook gezegd. En toen heb die amtenaar mijn gezegd dat er verder niks meer van gemaakt zou worden. Met het gevolg dat mijn marktkaart werdt afgenomen. en ik die tot heden toe nog niet terug heb gekregen. In die tijd had ik een zeer goede omzet. en al die klanten die toen dertijd bij mijn kochten bennen nu zeer gedupeerd. Omdat geen een andere groenteboer ze wil opnemen. Hopend alsdat uw mijn verzoek zult inwilligen niet alleen in mijn eigen belang maar ook indat van de gemeenschap verblijf ik
Hoogachtend.
G. v. Fliten.
Govert Flinckstr 204
Amsterdam
[Onderaan in potlood:] 25 oud m. 1542 (25/38?) De schrijver van de brief, een groenteboer op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam, verzoekt om de teruggave van zijn marktkaart (vergunning). Deze kaart werd in mei (waarschijnlijk 1942) ingenomen na een "kleine overtreding". De tekst suggereert een vorm van collaboratie met een ambtenaar: de schrijver gaf informatie over de herkomst van zijn goederen ("waar die handel vandaan was gekomen") in ruil voor de belofte dat de zaak gesloten zou worden. Ondanks deze toezegging werd zijn kaart toch ingenomen.
De brief is geschreven in een plechtige maar grammaticaal imperfecte stijl ("alsdat", "bennen", "werdt"). De schrijver probeert zijn zaak kracht bij te zetten door te wijzen op het economisch belang en het lot van zijn klanten, die volgens hem nergens anders terecht kunnen.
Uit de kanttekening in rode inkt blijkt dat het verzoek werd afgewezen; de reden die daarvoor wordt gegeven is dat zijn oude staanplaats tijdens de oorlog al aan iemand anders is vergeven ("al bezet"). Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (maart 1943). In deze tijd was de handel streng gereguleerd en was er sprake van schaarste en distributiebonnen. De vraag van de ambtenaar naar waar de "handel vandaan was gekomen" duidt op de strenge controle op de herkomst van goederen om de zwarte markt tegen te gaan.
De Albert Cuypmarkt was (en is) een centraal punt in de Amsterdamse volkswijk De Pijp. Dat de marktmeester of directeur van het marktwezen dergelijke beslissingen nam, toont de bureaucratische controle over het dagelijks overleven van kleine zelfstandigen tijdens de oorlogsjaren. De afwijzing in de kantlijn weerspiegelt de harde realiteit van die tijd: wie zijn plek kwijt was, kreeg deze door de schaarste aan ruimte en middelen niet zomaar terug. Marktwezen