Doorslag van een officiële brief/ambtelijke correspondentie.
Origineel
Doorslag van een officiële brief/ambtelijke correspondentie. 7 juli 1943. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, zoals de Marktwezen of Voedselvoorziening). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (ter plaatse). (Handgeschreven bovenaan): Verzonden 8/7 [..]
46b/226/ 2M. 1 7 Juli 1943. VB/SV
Vischtoewijzing Vierra.
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
===========
Onder terugzending van het met Uw kant-
brief d.d. 23 Juni jl. no.463 L.M.1943 om
advies ontvangen stuk, heb ik de eer U te be-
richten, dat adressante de echtgenoote is van
W.Vierra, die als Joodsche kleinhandelaar
geen recht had op visch. Adressante is nimmer
in den vischhandel werkzaam geweest, zoodat,
nu haar echtgenoot is ingesloten, er geen aan-
leiding bestaat haar voor een toewijzing van
visch in aanmerking te doen komen.
Ik heb de eer U te adviseeren adressante
hiervan mededeeling te doen.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk advies over een verzoek tot vis-toewijzing (een quotum of vergunning om vis te mogen inkopen en verkopen). Het verzoek is afkomstig van de echtgenote van een zekere W. Vierra.
Het advies van de directeur aan de wethouder is negatief, gebaseerd op twee argumenten:
1. Discriminatie op basis van afkomst: De echtgenoot wordt aangeduid als "Joodsche kleinhandelaar" die volgens de toen geldende (door de bezetter opgelegde) regels "geen recht had op visch".
2. Beroepservaring: De vrouw zelf is nooit werkzaam geweest in de vishandel.
Een cruciaal detail in de tekst is de zinsnede "nu haar echtgenoot is ingesloten". Dit duidt erop dat W. Vierra op dat moment gevangen zat of was weggevoerd, wat voor Joodse burgers in juli 1943 in de meeste gevallen deportatie naar een kamp betekende. Het document illustreert de kille, bureaucratische wijze waarop de uitsluiting van Joodse burgers uit het economisch leven werd gehandhaafd. Het document dateert van juli 1943, een periode tijdens de Tweede Wereldoorlog waarin de Jodenvervolging in Nederland zijn gruwelijke hoogtepunt bereikte. Joodse ondernemingen waren in deze fase al geliquideerd of onder bewind gesteld ('geariuseerd').
De overgebleven Joodse bevolking was nagenoeg volledig rechteloos gemaakt en de deportaties vanuit Kamp Westerbork naar de vernietigingskampen in het oosten waren in volle gang. Dit document laat zien hoe lokale overheden en hun diensten fungeerden als radertjes in het systeem van uitsluiting, waarbij de anti-Joodse maatregelen strikt werden toegepast in de dagelijkse ambtelijke praktijk, zelfs voor basisbehoeften zoals voedselvoorziening en handel. De achternaam Vierra is van Sefardisch-Joodse oorsprong, wat veel voorkwam in steden als Amsterdam.