Archiefdocument
Origineel
9 januari 1942. Joodsche Raad voor Amsterdam (Voorzitters A. Asscher en Prof. Dr. D. Cohen). Houders van een ventvergunning te Amsterdam. JOODSCHE RAAD VOOR AMSTERDAM
voorzitters { A. Asscher
{ Prof. Dr. D. Cohen
(
Nieuwe Keizersgracht 58
Tel. 55003 - 55136 - 54970
Afd. III/A.Z.
Ref. V/LB.
Amsterdam, 9 Januari 1942
Aan de houders van een ventvergunning
te Amsterdam.
Nu ge op heden Uw ventvergunning moet inleveren komt U in
aanmerking voor werkverruimingsarbeid in een der kampen in
Drente.
Dit is naar wij vernemen vermoedelijk niet het geval indien U
naast Uw ventvergunning beschikt over een vaste marktplaats ,
dan wel over een vaste standplaats buiten de markten.
In dit laatste geval moet ge het bewijs daarvan toonen.
De bovengenoemde kampen zijn de gewone kampen voor werkverruiming
onder leiding van den Rijksdienst voor de werkverruiming en onder
beheer van Nederlanders, zooals dit ook in de andere kampen het
geval is. Er moet dezelfde arbeid als in de andere kampen worden
verricht, terwijl de arbeidsvoorwaarden dezelfde zijn, behalve dat
het loon iets lager is.
Wij moeten er Uw aandacht op vestigen, dat het niet voldoen aan
deze oproep ernstige maatregelen van overheidswege tengevolge zou
hebben.
Deze maatregelen beteekenen niet meer of minder dan een ernstig
gevaar voor U.
Wij moeten U derhalve nog eens den dringenden raad geven, U niet
te onttrekken aan de nu eenmaal onvermijdelijke plicht U voor de
werkverruiming in Drente in een kamp onder Nederlandsche leiding
beschikbaar te stellen, om erger te voorkomen.
Volg dit advies op, dat U in Uw volstrekt eigen belang met klem
gegeven wordt.
NAMENS DEN JOODSCHEN RAAD VOOR AMSTERDAM,
A. Asscher
Prof. Dr. D. Cohen } voorzitters
--- Deze brief is een dwingende mededeling van de Joodsche Raad aan Joodse straatverkopers ("venters") in Amsterdam. De kern van de boodschap is tweeledig:
1. Beroepsverbod: De geadresseerden moeten hun vergunning inleveren, waardoor zij hun bron van inkomsten verliezen.
2. Tewerkstelling: Als direct gevolg hiervan worden zij opgeroepen voor de zogenaamde "werkverruiming" in kampen in Drenthe.
De toon van de brief is opvallend. Enerzijds probeert de Raad de ontvangers gerust te stellen door te benadrukken dat de kampen onder "Nederlandsche leiding" staan en dat de arbeidsvoorwaarden "gewoon" zijn (behalve een lager loon). Anderzijds is de toon dreigend: het negeren van de oproep zou leiden tot "ernstig gevaar" en "ernstige maatregelen van overheidswege". De Joodsche Raad positioneert zich hier als een bemiddelaar die de Joodse bevolking "adviseert" om te collaboreren met de maatregelen van de bezetter om "erger te voorkomen".
--- Deze brief dateert uit januari 1942, een cruciale fase in de Jodenvervolging in Nederland. Kort hiervoor, in de tweede helft van 1941, was de isolatie van de Joodse bevolking versneld door tal van uitsluitingsmaatregelen (zoals het verbod op markten en straathandel).
De Joodsche Raad voor Amsterdam was in februari 1941 op last van de Duitse bezetter opgericht. Hoewel de voorzitters Asscher en Cohen trachtten de Joodse gemeenschap te beschermen door middel van overleg, werden zij feitelijk een doorgeefluik voor de anti-Joodse verordeningen van de nazi’s.
De "kampen in Drente" waar de brief naar verwijst, waren de zogenoemde Joodse werkkampen. Dit waren oorspronkelijk kampen van de Rijksdienst voor de Werkverruiming uit de crisistijd (zoals de kampen Linde, Kremboong en ook Westerbork in zijn vroege fase). Vanaf januari 1942 werden duizenden Joodse mannen hierheen gestuurd voor dwangarbeid. Hoewel de leiding aanvankelijk inderdaad nog Nederlands was, waren deze kampen een directe voorfase van de deportatie. Later in 1942 werden de mannen in deze kampen samengebracht in Westerbork, om vandaaruit naar de vernietigingskampen in het oosten te worden getransporteerd.