Archief 745
Inventaris unknown_deel
Pagina 144
Dossier 108
Stadsarchief

Officiële brief/oproep.

6 januari 1942. Van: Joodsche Raad voor Amsterdam.

Origineel

Officiële brief/oproep. 6 januari 1942. Joodsche Raad voor Amsterdam. JOODSCHE RAAD VOOR AMSTERDAM

Aan hen die door het Gewestelijk Arbeidsbureau
zijn opgeroepen om naar de werkverruiming te gaan.

Amsterdam, 6 Januari 1942.

De autoriteiten hebben gelast, dat Joodsche werkloozen in afzonderlijke groepen bij de werkverruiming moeten worden tewerkgesteld; Deze tewerkstelling zal plaats vinden in kampen in de provincie Drente.

Ook gij zijt voor dezen arbeid opgeroepen en zult naar een dezer kampen worden uitgezonden, indien gij daarvoor lichamelijk geschikt wordt bevonden.

Wij geven U dringend den raad, aan dezen oproep gevolg te geven, daar anders zeer strenge maatregelen van de zijde der autoriteiten moeten worden verwacht.

De arbeidsvoorwaarden en de leiding zullen dezelfde zijn als in de andere kampen voor Nederlandsche werkloozen; zij zullen als deze onder den Nederland- schen Rijksdienst voor den Werkverruiming staan, alleen het loon zal iets lager zijn.

De Joodsche Raad voor Amsterdam,

A. ASSCHER                        }
                                                  Voorzitters
Prof. Dr. D. COHEN     } Dit document is een cruciaal bewijsstuk van de wijze waarop de Duitse bezetter de Joodsche Raad inzette om anti-Joodse maatregelen uit te voeren. Enkele opvallende kenmerken:

  • Gedwongen Segregatie: De brief spreekt expliciet over "afzonderlijke groepen", wat de voortschrijdende isolatie van de Joodse bevolking markeert.
  • Rol van de Joodsche Raad: De Raad fungeert hier als doorgeefluik van de bezetter. De toon is dwingend ("Wij geven U dringend den raad"), waarbij gedreigd wordt met "zeer strenge maatregelen" bij weigering. Dit illustreert het morele dilemma waar de Raad voor stond: meewerken om 'erger te voorkomen' of weigeren.
  • Economische Discriminatie: Er wordt openlijk vermeld dat de Joodse arbeiders een lager loon zullen ontvangen dan hun niet-Joodse collega's, een directe vorm van rechtsongelijkheid.
  • Misleiding: De term "werkverruiming" suggereert een sociaal-economisch project (werkverschaffing), terwijl deze kampen in werkelijkheid de voorbode waren van de latere deportaties naar de vernietigingskampen. In januari 1942 intensiveerde de bezetter de jacht op Joodse mannen door hen via het Gewestelijk Arbeidsbureau op te roepen voor de 'werkverruiming'. Deze kampen, voornamelijk gelegen in Noord- en Oost-Nederland (zoals in Drenthe), waren oorspronkelijk bedoeld voor werklozen. Onder de bezetting werden ze ingericht als werkkampen voor Joden om hen uit hun vertrouwde omgeving te halen en te concentreren.

Kort na deze oproep, in de zomer van 1942, begonnen de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen in Polen. De mannen die al in deze werkkampen verbleven, werden in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 massaal afgevoerd naar Kamp Westerbork, om van daaruit nagenoeg allemaal te worden gedeporteerd naar Auschwitz en Sobibor. Deze brief markeert dus het begin van de laatste fase van de Jodenvervolging in Nederland.

Samenvatting

Dit document is een cruciaal bewijsstuk van de wijze waarop de Duitse bezetter de Joodsche Raad inzette om anti-Joodse maatregelen uit te voeren. Enkele opvallende kenmerken:

  • Gedwongen Segregatie: De brief spreekt expliciet over "afzonderlijke groepen", wat de voortschrijdende isolatie van de Joodse bevolking markeert.
  • Rol van de Joodsche Raad: De Raad fungeert hier als doorgeefluik van de bezetter. De toon is dwingend ("Wij geven U dringend den raad"), waarbij gedreigd wordt met "zeer strenge maatregelen" bij weigering. Dit illustreert het morele dilemma waar de Raad voor stond: meewerken om 'erger te voorkomen' of weigeren.
  • Economische Discriminatie: Er wordt openlijk vermeld dat de Joodse arbeiders een lager loon zullen ontvangen dan hun niet-Joodse collega's, een directe vorm van rechtsongelijkheid.
  • Misleiding: De term "werkverruiming" suggereert een sociaal-economisch project (werkverschaffing), terwijl deze kampen in werkelijkheid de voorbode waren van de latere deportaties naar de vernietigingskampen.

Historische Context

In januari 1942 intensiveerde de bezetter de jacht op Joodse mannen door hen via het Gewestelijk Arbeidsbureau op te roepen voor de 'werkverruiming'. Deze kampen, voornamelijk gelegen in Noord- en Oost-Nederland (zoals in Drenthe), waren oorspronkelijk bedoeld voor werklozen. Onder de bezetting werden ze ingericht als werkkampen voor Joden om hen uit hun vertrouwde omgeving te halen en te concentreren.

Kort na deze oproep, in de zomer van 1942, begonnen de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen in Polen. De mannen die al in deze werkkampen verbleven, werden in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 massaal afgevoerd naar Kamp Westerbork, om van daaruit nagenoeg allemaal te worden gedeporteerd naar Auschwitz en Sobibor. Deze brief markeert dus het begin van de laatste fase van de Jodenvervolging in Nederland.