Archief 745
Inventaris unknown_deel
Pagina 179
Dossier 104
Stadsarchief

Officiële brief/correspondentie.

21 januari 1942. Van: S. Spyer, Medisch Adviseur van de Joodsche Raad (Afdeling IX, Medische Zaken). Aan: De heer v. Alten, Afdeling Werkverruiming van het Gewestelijk Arbeidsbureau, Amsterdam.

Origineel

Officiële brief/correspondentie. 21 januari 1942. S. Spyer, Medisch Adviseur van de Joodsche Raad (Afdeling IX, Medische Zaken). De heer v. Alten, Afdeling Werkverruiming van het Gewestelijk Arbeidsbureau, Amsterdam. JOODSCHE RAAD VOOR AMSTERDAM
VOORZITTERS { A. ASSCHER / Prof. Dr. D. COHEN
POSTGIRO [logo] 417242

AMSTERDAM-C., 21 Jan. 1942
Nieuwe Keizersgracht 58
Tel. 55003, 55136, 54970

Bij Uw antwoord te vermelden:
AFD. IX Med. z.
REF. K

Hieronder laat ik volgen de namen van eenige personen voor wie uitstel van uitzending naar de Werkverruiming in Drente wel zeer noodzakelijk is, onder vermelding van de reden

[Handgeschreven note:] Niet in bezwaren bakje

BAREND v. BEVER, wonende Afrikanerplein 31/2,
weduwnaar met 4 kinderen van 11 - 4 jaar.
Indien hij een week uitstel krijgt, kan
hij de kinderen bij familie onderbrengen.

MARKUS KLOOS, wonende Pres. Brandstraat 42,
sinds 14 dagen weduwnaar, 7 kinderen van
15 - 5 jaar. Hij heeft voor de 5 jongste
kinderen plaatsing in een Weeshuis aange-
vraagd, echter is daar voorloopig nog geen
plaats. Kan voorloopig dus niet worden
uitgezonden.

M. VISKOPER, wonende Tugelaweg 102/1
weduwnaar met 5 kinderen, die dringend zijn
toezicht noodig hebben, zoodat het nood-
zakelijk is, dat hij 's avonds in zijn
gezin terugkomt. Kan alleen in de omge-
ving van Amsterdam worden tewerkgesteld.

Hoogachtend,
[Handtekening: S. Spyer]
( S. Spyer)
Medisch Adviseur

Aan den Heer v. ALTEN
Afd. Werkverrruiming v.h. Gewest. Arbeidsbureau
Galerij.

--- Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bemiddelende rol die de Joodsche Raad probeerde te spelen tussen de Joodse gemeenschap en de Duitse bezettingsautoriteiten (hier vertegenwoordigd door het Arbeidsbureau).

De kern van de brief is een verzoek om uitstel van tewerkstelling voor drie mannen: Barend van Bever, Markus Kloos en M. Viskoper. De gemene deler is dat alle drie de mannen weduwnaar zijn en de zorg hebben voor jonge kinderen.
* Van Bever heeft een week nodig om zijn vier jonge kinderen bij familie onder te brengen.
* Kloos, wiens vrouw pas twee weken daarvoor was overleden, heeft zeven kinderen en wacht op plek in een weeshuis voor de jongste vijf.
* Viskoper heeft vijf kinderen die constant toezicht nodig hebben, waardoor hij alleen in de nabijheid van zijn woning in Amsterdam kan werken.

De vinkjes naast de namen en de handgeschreven kanttekening "Niet in bezwaren bakje" suggereren dat de brief is verwerkt door de administratie van de Joodsche Raad of het Arbeidsbureau. Het taalgebruik is zakelijk maar de urgentie klinkt door in termen als "wel zeer noodzakelijk" en "dringend".

--- De datum, 21 januari 1942, is historisch saillant: dit is precies één dag na de Wannsee-conferentie, waar de nazi-top de praktische uitvoering van de 'Endlösung' (de totale uitroeiing van de Europese Joden) besprak.

In Nederland begon in januari 1942 de grootschalige tewerkstelling van Joodse mannen in werkkampen, onder het eufemisme "Werkverruiming". Hoewel deze kampen zich binnen de Nederlandse grenzen bevonden (voornamelijk in het noorden en oosten), waren ze een tussenstation. In de zomer van 1942 werden de meeste mannen in deze kampen direct gedeporteerd naar vernietigingskampen in het oosten.

De genoemde adressen (Afrikanerplein, President Brandstraat, Tugelaweg) bevinden zich in de Transvaalbuurt, een wijk in Amsterdam-Oost waar destijds veel Joodse gezinnen woonden. De tragiek van dit document is dat de Joodsche Raad probeerde individuen te redden op humanitaire gronden binnen een systeem dat al had besloten tot hun totale eliminatie. Uit archieven blijkt helaas dat de meeste van de hier genoemde personen de oorlog niet hebben overleefd.

Samenvatting

Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bemiddelende rol die de Joodsche Raad probeerde te spelen tussen de Joodse gemeenschap en de Duitse bezettingsautoriteiten (hier vertegenwoordigd door het Arbeidsbureau).

De kern van de brief is een verzoek om uitstel van tewerkstelling voor drie mannen: Barend van Bever, Markus Kloos en M. Viskoper. De gemene deler is dat alle drie de mannen weduwnaar zijn en de zorg hebben voor jonge kinderen.
* Van Bever heeft een week nodig om zijn vier jonge kinderen bij familie onder te brengen.
* Kloos, wiens vrouw pas twee weken daarvoor was overleden, heeft zeven kinderen en wacht op plek in een weeshuis voor de jongste vijf.
* Viskoper heeft vijf kinderen die constant toezicht nodig hebben, waardoor hij alleen in de nabijheid van zijn woning in Amsterdam kan werken.

De vinkjes naast de namen en de handgeschreven kanttekening "Niet in bezwaren bakje" suggereren dat de brief is verwerkt door de administratie van de Joodsche Raad of het Arbeidsbureau. Het taalgebruik is zakelijk maar de urgentie klinkt door in termen als "wel zeer noodzakelijk" en "dringend".


Historische Context

De datum, 21 januari 1942, is historisch saillant: dit is precies één dag na de Wannsee-conferentie, waar de nazi-top de praktische uitvoering van de 'Endlösung' (de totale uitroeiing van de Europese Joden) besprak.

In Nederland begon in januari 1942 de grootschalige tewerkstelling van Joodse mannen in werkkampen, onder het eufemisme "Werkverruiming". Hoewel deze kampen zich binnen de Nederlandse grenzen bevonden (voornamelijk in het noorden en oosten), waren ze een tussenstation. In de zomer van 1942 werden de meeste mannen in deze kampen direct gedeporteerd naar vernietigingskampen in het oosten.

De genoemde adressen (Afrikanerplein, President Brandstraat, Tugelaweg) bevinden zich in de Transvaalbuurt, een wijk in Amsterdam-Oost waar destijds veel Joodse gezinnen woonden. De tragiek van dit document is dat de Joodsche Raad probeerde individuen te redden op humanitaire gronden binnen een systeem dat al had besloten tot hun totale eliminatie. Uit archieven blijkt helaas dat de meeste van de hier genoemde personen de oorlog niet hebben overleefd.