Archiefdocument
Origineel
[Handgeschreven aantekening bovenaan:] Verzonden b/g [?] [onleesbare initialen/naam]
[Rechtsboven:] vP/HG.
[Geadresseerde:]
den Heer W.J.de Waal,
Albert Cuypstraat 200 III,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 14.
[Linksboven:] 25/175/2 M.
[Datum:] 13 September 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 Augustus jl. verleen ik U hierbij gedurende ten hoogste twee maanden na dato dezes uitstel van Uw verplichting om regelmatig Uw plaats op de markt Albert Cuypstraat te bezetten, mits U zorgdraagt, dat het ook tijdens Uw afwezigheid verschuldigde marktgeld wekelijks wordt betaald.
De Directeur , De brief is een officiële goedkeuring van een verzoek tot tijdelijke afwezigheid van een marktkoopman. De heer W.J. de Waal, woonachtig aan de Albert Cuypstraat, krijgt van de 'Directeur' (waarschijnlijk van de Gemeentelijke Markthandel of een vergelijkbare instantie) toestemming om zijn standplaats maximaal twee maanden niet te bezetten.
Aan deze ontheffing is echter een strikte voorwaarde verbonden: de betaling van het wekelijkse marktgeld moet ononderbroken doorgaan. Dit duidt op een strikt beheer van de marktplaatsen, waarbij het behoud van de standplaats afhankelijk is van zowel fysieke aanwezigheid als financiële afdracht. De datum van de brief, 13 september 1940, is saillant. Het is slechts enkele maanden na de Duitse inval en het begin van de bezetting van Nederland. Hoewel de brief een alledaagse administratieve toon heeft, vonden dergelijke processen plaats in een periode van toenemende regeldruk en onzekerheid. De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten van Amsterdam. In de jaren '40 was het een vitale bron van voedselvoorziening en inkomen voor de lokale bevolking, waaronder veel Joodse Amsterdammers, die kort na deze datum door de bezetter van de markt zouden worden verbannen. De reden voor het verzoek van de heer De Waal (ziekte, familieomstandigheden of anderszins) wordt in deze doorslag niet vermeld. W.J. de Waal