Doorslag (carbonkopie) van een officiële ambtelijke brief.
Origineel
Doorslag (carbonkopie) van een officiële ambtelijke brief. 16 oktober 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen/Marktbureel Amsterdam). [Handgeschreven, linksboven:] Verzonden 17/10
[Handgeschreven, rechtsboven:] In de lier [onzeker]
[Getypt, rechts:]
vP/HG.
den Heer H. Prins,
Gelderschekade 73 II,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 1.
25/206/2 M. 16 October 1940.
Naar aanleiding van Uw briefkaart d.d. 4 dezer bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging in aanmerking kan komen. Indien U voortaan nietttten minste twee maal per week een plaats op de markt Albert Cuypstraat bezet, zal de U verleende voorkeurskaart worden ingetrokken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten.
De Directeur, * Inhoud: De brief is een afwijzing van een verzoek dat de heer Prins op 4 oktober 1940 per briefkaart had ingediend. Daarnaast bevat de brief een ernstige waarschuwing: als de heer Prins niet ten minste twee keer per week zijn standplaats op de Albert Cuypmarkt inneemt, zal zijn voorkeurskaart (marktvergunning) worden ingetrokken.
* Taal en stijl: De toon is formeel, afstandelijk en dwingend, typerend voor de ambtelijke communicatie uit die tijd. Er is sprake van een opvallende typefout in de tekst: "nietttten minste" (waarschijnlijk bedoeld als "niet ten minste").
* Administratieve context: Het document toont de strikte handhaving van marktreglementen door de gemeente Amsterdam. Voorkeurskaarten waren essentieel voor marktkooplieden om een vaste, gunstige plek te behouden; bij inactiviteit verviel dit recht ten gunste van anderen. * Historische periode: De brief is gedateerd in oktober 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland.
* Locatie: De Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp was (en is) een van de belangrijkste markten van de stad. De Gelderschekade, het adres van de ontvanger, lag aan de rand van de toenmalige Jodenbuurt.
* Relevantie: Hoewel de brief op het eerste gezicht een routinekwestie van het Marktwezen lijkt, moet deze gezien worden in de context van de beginnende beperkingen onder de bezetter. In deze periode begonnen de autoriteiten (zowel de Duitse bezetter als de collaborerende of meewerkende Nederlandse bureaucratie) met het strenger controleren van economische activiteiten. Voor veel marktkooplieden, waaronder veel Joodse Amsterdammers, werd het steeds moeilijker om hun handel te drijven. Het intrekken van vergunningen wegens "verzuim" was een bureaucratisch middel dat grote gevolgen kon hebben voor iemands levensonderhoud. H. Prins Gemeente Amsterdam Marktwezen