Ambtelijke notitie / Bijblad bij een dossier.
Origineel
Ambtelijke notitie / Bijblad bij een dossier. 14 oktober 1940 (met een latere aantekening van 16 oktober 1940). [Stempel linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 25/206/1 1940
DOORGEZONDEN: [Paraaf]
[Handgeschreven tekst rechtsboven]
H. Prins-Polak
sollic. voorkeurskaart nr. 64, Alb. Cuypmarkt
Is reeds gewaarschuwd geregeld
ter markt te komen.
[Hoofdtekst handgeschreven]
~~Aan 76 F~~
Het verzoek van H. Prins-Polak
dient m.i. te worden afgewezen.
Aan Prins-Polak moet worden
bericht dat hij als houder van een
voorkeurskaart voor de markt,
Alb. Cuypstraat, twee maal per week
een plaats op deze markt moet inne-
men, daar anders zijn naam van
de sollicitantenlijst wordt geschrapt.
[Linksonder handgeschreven]
16/10/40 [Paraaf] = 25/206/2
[Rechtsonder handgeschreven]
14-10-40 de Haan [?]
[Gedrukte tekst linksonder]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Het betreft een interne ambtelijke correspondentie van de gemeente Amsterdam (afdeling Algemene Zaken) betreffende de marktvergunningen voor de Albert Cuypmarkt.
De kern van de zaak is een verzoek van een zekere H. Prins-Polak. Uit de tekst blijkt dat deze persoon een 'voorkeurskaart' (nummer 64) heeft voor de Albert Cuypmarkt, maar deze niet voldoende benut. De ambtenaar (mogelijk 'de Haan') adviseert om het nieuwe verzoek van Prins-Polak af te wijzen.
De reden voor de afwijzing en de bijbehorende waarschuwing is dat een houder van een voorkeurskaart verplicht is om minimaal tweemaal per week daadwerkelijk op de markt aanwezig te zijn. Als Prins-Polak hier niet aan voldoet, zal zijn naam van de sollicitantenlijst voor een vaste standplaats worden geschrapt. De persoon was blijkbaar al eerder gewaarschuwd voor dit verzuim. Dit document is gedateerd op 14 en 16 oktober 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de tekst een puur bureaucratische afhandeling van marktregels lijkt, is de historische context van belang.
De naam "Prins-Polak" duidt mogelijk op een Joodse achtergrond. In het najaar van 1940 begonnen de Duitse bezetters met de eerste stappen van de uitsluiting van Joden uit het openbare leven en het economische verkeer. Hoewel dit document op zichzelf een standaardhandhaving van marktvoorschriften lijkt (het verplicht aanwezig zijn om een standplaats te behouden), werd de handhaving van dergelijke regels door de bezetter en collaborerende instanties vaak strenger ingezet als middel om Joodse ondernemers van de markt te verdrijven. Zonder verdere dossierstukken is niet met zekerheid te zeggen of hier sprake is van bewuste discriminatie of reguliere handhaving, maar de datum en de naam maken het document historisch precair. H. Prins M. No Gemeente Amsterdam