Archiefdocument
Origineel
11 november 1940. No 25/232/1. 11. 1940 ^15 en insp.
Wel. Ed Heer ik onderget:
betrek een staanplaats aan
de Albertcuypstraat met
Zeeuwsche mosselen. Nu
vraag ik U beleefd of mijn
moeder mij hierbij wou mogen
assissteeren. Ik ben zelf een
vrouw heb nog een zeer
jeugdig kind en mijn man
is voor handel totaal onge-
schikt. Ik hoop dat U mij
toestemming hiervoor wil
verleenen.
De naam van mij plaats-
houdster die is
B. ten Hoeve
die van mijn moeder is
J. Putting Het document is een handgeschreven verzoek van een marktkoopvrouw, B. ten Hoeve, die een staanplaats heeft op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. Zij verkoopt daar "Zeeuwsche mosselen". In de brief vraagt zij de bevoegde autoriteit (geadresseerd als "Wel Edelgestrenge Heer") om toestemming zodat haar moeder, J. Putting, haar mag assisteren bij de verkoop.
De schrijfster voert persoonlijke redenen aan voor dit verzoek:
1. Zij is een vrouw met een zeer jong ("jeugdig") kind, wat de combinatie met het zware werk op de markt bemoeilijkt.
2. Haar echtgenoot wordt omschreven als "totaal ongeschikt" voor de handel, wat suggereert dat hij haar niet kan of wil helpen in de zaak.
De brief is geschreven in een net, maar eenvoudig handschrift en bevat enkele archaïsche spellingen (zoals "assissteeren" en "verleenen") en grammaticale eigenaardigheden (zoals "mij plaatshoudster" in plaats van "mijn plaatshoudster"). De brief dateert van november 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de oorlogssituatie op de achtergrond aanwezig is, toont dit document de voortgang van het dagelijks leven en de strikte bureaucratie rondom de Amsterdamse markten.
De Albert Cuypmarkt was (en is) een centrale plek voor de Amsterdamse voedselvoorziening. Vergunningen en staanplaatsen waren streng gereguleerd; voor elke wijziging in de bezetting van een kraam, zelfs door een naast familielid, was officiële toestemming nodig. De opmerking over de ongeschiktheid van de echtgenoot geeft een zeldzaam inkijkje in de huishoudelijke en economische dynamiek van een Amsterdams middenstandsgezin in oorlogstijd. De aantekening in de marge ("en insp.") verwijst vermoedelijk naar de marktinspectie die de aanvraag moest beoordelen. B. ten Hoeve (verzoekster/plaatshoudster) en J. Putting (moeder).