Archief 745
Inventaris 745-318
Pagina 160
Dossier 24
Jaar 1940
Stadsarchief

Officiële waarschuwing/memo van een gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de Marktwezen-afdeling van de gemeente Amsterdam).

22 november 1940.

Origineel

Officiële waarschuwing/memo van een gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de Marktwezen-afdeling van de gemeente Amsterdam). 22 november 1940. [Rechtsboven, handgeschreven:]
2 ex. Hr. de Haer.

[Uiterst rechts:]
HG.

[Midden, handgeschreven:]
extra

[Rechts, getypt:]
22 November 1940.

[Ingevoegd boven de tekst, handgeschreven en onderstreept:]
Dinsdag 19

[Hoofdtekst:]
Mij is gerapporteerd, dat U op Dinsdag 19 November jl.
de markt aan de Albert Cuypstraat niet op het voorgeschreven tijd-
stip met Uw goederen had verlaten.
Ik maan U hierbij aan U ten deze voortaan stipt aan
den vastgestelden tijd te houden.

De Directeur,

[Onderaan, lijst met geadresseerden:]
Gezonden aan:
C.Visser, Alb.Cuypstraat 92 hs no.25/237/2 M.
H.G.v.Mourik, Alb.Cuypstraat 128 III no.25/237/3 M.
J.Brandon, v.Woustraat 5 II no.25/237/4 M.
C.Wijbrandts, Hofmeyrstraat 29 I no.25/237/5 M.
H.C.Boeske, Rustenburgerstr.400 III II no.25/237/6 M.
C.E.v.Ommen-Cohen, Alb.Cuypstraat 197 no.25/237/7 M. * Bureaucratische Handhaving: Het document is een standaard waarschuwing aan marktkooplieden die zich niet aan de officiële sluitingstijden hebben gehouden. Het gebruik van dossiernummers (zoals no.25/237/2 M.) wijst op een strakke administratieve organisatie.
* Correcties: De handgeschreven toevoeging "Dinsdag 19" verduidelijkt de specifieke dag van de overtreding, terwijl de datum van het schrijven 22 november is. De aantekening "extra" suggereert dat dit een afwijkende of aanvullende actie betrof.
* Doelgroep: De brief is gericht aan een groep specifieke individuen. In de lijst met namen vallen namen op zoals Brandon en Cohen, die van Joodse afkomst zijn. Dit is cruciaal voor de historische context. Dit document stamt uit november 1940, de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten in Amsterdam, met destijds veel Joodse kooplieden.

Hoewel de brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve berisping lijkt voor het te laat verlaten van de markt, moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de toenemende restricties voor Joodse burgers. Vanaf 1940 begon de bezetter, vaak met medewerking van het Nederlandse ambtelijke apparaat, de bewegingsvrijheid van Joden in te perken.

In 1941 zouden Joodse kooplieden volledig worden verbannen van de reguliere markten en gedwongen worden te verkopen op speciale "Joodse markten". Administratieve vastlegging van "overtredingen" zoals in dit document kon door de autoriteiten worden gebruikt als dossieropbouw om strengere maatregelen of uitsluiting te rechtvaardigen. Het feit dat kopieën naar specifieke personen ("Hr. de Haer") werden gestuurd, kan duiden op gerichte monitoring van deze groep marktkooplieden.

Samenvatting

  • Bureaucratische Handhaving: Het document is een standaard waarschuwing aan marktkooplieden die zich niet aan de officiële sluitingstijden hebben gehouden. Het gebruik van dossiernummers (zoals no.25/237/2 M.) wijst op een strakke administratieve organisatie.
  • Correcties: De handgeschreven toevoeging "Dinsdag 19" verduidelijkt de specifieke dag van de overtreding, terwijl de datum van het schrijven 22 november is. De aantekening "extra" suggereert dat dit een afwijkende of aanvullende actie betrof.
  • Doelgroep: De brief is gericht aan een groep specifieke individuen. In de lijst met namen vallen namen op zoals Brandon en Cohen, die van Joodse afkomst zijn. Dit is cruciaal voor de historische context.

Historische Context

Dit document stamt uit november 1940, de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten in Amsterdam, met destijds veel Joodse kooplieden.

Hoewel de brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve berisping lijkt voor het te laat verlaten van de markt, moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de toenemende restricties voor Joodse burgers. Vanaf 1940 begon de bezetter, vaak met medewerking van het Nederlandse ambtelijke apparaat, de bewegingsvrijheid van Joden in te perken.

In 1941 zouden Joodse kooplieden volledig worden verbannen van de reguliere markten en gedwongen worden te verkopen op speciale "Joodse markten". Administratieve vastlegging van "overtredingen" zoals in dit document kon door de autoriteiten worden gebruikt als dossieropbouw om strengere maatregelen of uitsluiting te rechtvaardigen. Het feit dat kopieën naar specifieke personen ("Hr. de Haer") werden gestuurd, kan duiden op gerichte monitoring van deze groep marktkooplieden.

Gerelateerde Documenten 3