Doorslag van een officiële waarschuwingsbrief / reprimande.
Origineel
Doorslag van een officiële waarschuwingsbrief / reprimande. 23 november 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen te Amsterdam). [Handgeschreven, rechtsboven:] 2 ex. Hr. de Boer.
[Stempel, rechtsboven:] HG.
[Handgeschreven, linksboven:] Verzonden 23/11-'40
23 November 1940.
[Handgeschreven:] Dinsdag 19
Mij is gerapporteerd, dat U op [doorgehaald: Zaterdag 18] November jl. de markt aan de Albert Cuypstraat niet op het voorgeschreven tijdstip met Uw goederen had verlaten.
Ik maan U hierbij aan U ten deze voortaan stipt aan den vastgestelden tijd te houden.
De Directeur,
Gezonden aan:
C. Visser, Alb. Cuypstraat 92 hs no. 25/237/2 M.
H.G. v. Mourik, Alb. Cuypstraat 128 III no. 25/237/3 M.
J. Brandon, v. Woustraat 5 II no. 25/237/4 M.
C. Wijbrandts, Hofmeyrstraat 29 I no. 25/237/5 M.
H.C. Boeske, Rustenburgerstr. 400 III/II no. 25/237/6 M.
C.E. v. Ommen-Cohen, Alb. Cuypstraat 197 no. 25/237/7 M. Dit document is een formele berisping gericht aan een groep markthandelaren van de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. De kern van de klacht is een overtreding van de marktverordening: de handelaren zijn op dinsdag 19 november 1940 niet op tijd vertrokken van hun staanplaatsen.
De brief is een standaardformulier (doorslag) waarbij de datum van de overtreding handmatig is gecorrigeerd van zaterdag 18 naar dinsdag 19 november. Dit suggereert een systematische handhaving van de regels door de Dienst van het Marktwezen. De toon is streng en ambtelijk ("Ik maan U hierbij aan"). Onderaan staat een lijst met de namen en adressen van de betreffende handelaren, allen woonachtig in de directe omgeving van de markt (De Pijp), met bijbehorende dossiernummers. Het document dateert van november 1940, circa zes maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratieve, civiele aangelegenheid lijkt te betreffen (marktreglementen), is de tijdsgeest van belang. Onder de Duitse bezetting werd de controle op de openbare orde en economische activiteiten, waaronder de markthandel, aangescherpt.
Saillant detail is de naam van de laatste geadresseerde: C.E. v. Ommen-Cohen. In deze periode (najaar 1940) begonnen de eerste anti-Joodse maatregelen van de bezetter vorm te krijgen, zoals de Ariërverklaring voor ambtenaren. Niet lang na deze brief, in 1941, zouden Joodse markthandelaren systematisch van algemene markten zoals de Albert Cuyp worden verdreven en verbannen naar specifieke "Jodenmarkten". Dit document legt dus een moment vast vlak voordat de administratieve vervolging van Joodse Amsterdammers in de markthandel volledig escaleerde. C. Visser C. Wijbrandts H.C. Boeske J. Brandon Marktwezen