Doorslag van een ambtelijke brief (bestuurlijke correspondentie).
Origineel
Doorslag van een ambtelijke brief (bestuurlijke correspondentie). 18 december 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie in Amsterdam). Den Heer Y. Goedhart, Westerstraat 83 I, Amsterdam-Centrum. VD/HG.
extra
den Heer Y. Goedhart,
Westerstraat 83 I,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 9.
28/78/7 M.
18 December 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 7 November jl. bericht
ik U, dat uit ambtelijke informaties is gebleken, dat Uw inkomsten
niet gelijk gesteld kunnen worden met die van een gesteunde van het
Gemeentelijke Bureau voor Maatschappelijken Steun. Aan Uw verzoek
om ontheven te worden van de betaling van het marktgeld voor Uw
plaatsen op de markten Lindengracht en Westerstraat kan mitsdien
geen gevolg worden gegeven. U moet Uw plaatsen op vorenvermelde
markten weder regelmatig bezetten, daar deze anders overeenkomstig
de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten zul-
len worden ingetrokken. Het verschuldigde marktgeld dient vanaf
heden weder wekelijks aan den dienstdoenden marktambtenaar te
worden betaald. Voor wat Uw schuld betreft kunt U zich wenden tot
mijn dienst voor het maken van een afbetalingsregeling.
De Directeur, In dit schrijven wijst de directeur van een Amsterdamse gemeentelijke dienst een verzoek van de heer Y. Goedhart af. Goedhart had gevraagd om vrijstelling van het betalen van marktgeld voor zijn standplaatsen op de Lindengracht en de Westerstraat (beide bekende markten in de Jordaan).
De weigering is gebaseerd op een onderzoek naar zijn inkomsten. De gemeente stelt dat zijn financiële situatie niet precair genoeg is om hem gelijk te stellen aan iemand die een uitkering ontvangt van het "Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun" (de toenmalige sociale dienst).
De brief bevat een dwingende sommatie: Goedhart moet zijn standplaatsen weer "regelmatig bezetten", anders raakt hij zijn vergunning kwijt volgens het Marktreglement. Tevens moet hij de wekelijkse betalingen hervatten en een regeling treffen voor zijn opgelopen schulden bij de gemeente. De toon is formeel, zakelijk en onverbiddelijk. Het document dateert van december 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratieve en economische aard lijkt te hebben, is de tijdsgeest van belang.
De winter van 1940-1941 was een periode van toenemende schaarste en economische druk. Marktkooplieden hadden het zwaar door distributiemaatregelen en afnemende koopkracht. Dat de gemeente in deze tijd vasthoudt aan strikte regels en betalingsverplichtingen, getuigt van het voortzetten van de bureaucratische orde onder het nieuwe regime.
De locatie (Westerstraat en Lindengracht) en de naam Goedhart plaatsen het document midden in het hart van de Amsterdamse Jordaan. In deze wijk en op deze markten waren veel Joodse kooplieden actief. Hoewel uit deze specifieke brief niet direct blijkt of er sprake is van anti-Joodse maatregelen (die in deze periode juist in hevigheid toenamen), was de financiële controle door de gemeente een effectief middel om grip te houden op de bevolking en de economische activiteit op de markten. Y. Goedhart