Administratieve notitie / intern memo op een voorgedrukt bijblad (Model No. 14).
Origineel
Administratieve notitie / intern memo op een voorgedrukt bijblad (Model No. 14). [Kader linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 28/92/1 1940.
DOORGEZONDEN: 4/12 - '40.
[Hoofdtekst links]
Het verzoek van
S. Winnik dient
m.i. te worden
afgewezen.
Aan Winnik moet dan ook
worden bericht, dat hij zijn
plaats op de markt Linden-
gracht, geregeld d.w.z. twee
maal per week moet innemen,
daar deze anders wordt
ingetrokken.
[Aantekeningen rechtsboven]
S. Winnik, pl. 175 Lindengracht
gewaarschuwd wegens niet geregeld komen op 17/9 '40.
Zou daarna geregeld komen;
18/10 '40 nog niet geregeld komen?
[Notitie midden-rechts]
Hr. Wolff
adviseer
6-12-'40
de Haer
[Notitie rechtsonder]
geen uitstel geven Winnik
bezoekt zoogoed als nooit de markt.
Is al meermalen gewaarschuwd,
is voorgedragen voor intrekking, ik
adviseer u deze plaats in te trekken.
15-12-40
de Haer
[Onderaan]
28/92/2 18/12/40
[Paraaf]
[Gedrukte tekst linksonder]
5
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Het document legt een bureaucratisch proces vast waarbij een Amsterdamse marktkramer, S. Winnik, zijn standplaats (nummer 175) op de Lindengracht dreigt te verliezen. De kern van het probleem is verzuim: Winnik neemt zijn plaats op de markt niet "geregeld" (twee keer per week) in. Uit de handgeschreven kanttekeningen blijkt dat hij al in september 1940 was gewaarschuwd en beterschap had beloofd, maar dat hij in oktober en december nog steeds nauwelijks op de markt verscheen. De ambtenaren (Wolff en De Haer) adviseren resoluut om zijn verzoek (vermoedelijk om behoud van de plaats of uitstel) af te wijzen en de vergunning definitief in te trekken. Het document is een voorbeeld van strikte handhaving van marktverordeningen. Dit document is gedateerd in december 1940, tijdens de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. De Lindengracht in de Jordaan was (en is) een belangrijke marktlocatie. De achternaam "Winnik" was in die tijd een veelvoorkomende naam binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam. Hoewel het document op het eerste gezicht een louter zakelijke, tuchtrechtelijke kwestie lijkt over marktbezoek, krijgt het in de historische context van de Jodenvervolging een extra lading. Vanaf het najaar van 1940 werden Joodse burgers stapsgewijs uit het economische leven geweerd. De afwezigheid van Winnik op de markt zou direct of indirect verband kunnen houden met de toenemende beperkingen en repressie tegen Joden. De onverbiddelijke toon van de ambtenaren weerspiegelt de bureaucratische efficiëntie waarmee uitsluiting in deze periode vaak gepaard ging.