Archiefdocument
Origineel
21 december 1940 No 20/94/1 m 1940
Aan den Inspecteur
v/h Marktwezen
alhier.
Wat het vertrek van plh 205 Th Bulips betreft dient
het volgende. De verkoop van groenten door de ver-
schillende groenten kooplieden op de Lindengracht
gaat tot heden toe nog gewoon zijn gang.
Waarom nu Bulips totaal van de markt
weg blijft is mij onbekend, terwijl hij m.i.
niet een van de slechtste verkoopers was.
Ook op de Noordermarkt had hij een goede
marktplaats. Ik adviseer U dan ook hem
het gevraagde uitstel niet te verleenen.
21-12-1940.
(Handtekening, mogelijk Meuwissen) Dit handgeschreven memorandum is een ambtelijk advies binnen de dienst Marktwezen van Amsterdam. De kern van het document is een negatief advies over een verzoek van marktkoopman Th. Bulips (aangeduid als "plh 205", wat staat voor plaatshebber van marktkraam 205).
Bulips heeft blijkbaar om "uitstel" gevraagd (waarschijnlijk uitstel van betaling van marktgeld of uitstel voor de verplichting om zijn plek in te nemen), maar de rapporteur ziet hiervoor geen aanleiding. De argumentatie is dat de handel op de Lindengracht "gewoon zijn gang" gaat en dat er geen zichtbare reden is voor zijn afwezigheid, temeer omdat hij een goede omzet draaide. De nadrukkelijke onderstreping van het woord "niet" in de laatste zin onderstreept de beslistheid van het advies. Het document is geschreven op 21 december 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode probeerden de gemeentelijke diensten de orde op de markten streng te handhaven.
De Lindengracht en de Noordermarkt zijn centrale markten in de Amsterdamse Jordaan. Hoewel het document een puur zakelijke, bureaucratische toon heeft, valt de afwezigheid van een koopman in deze specifieke oorlogsperiode op. In de loop van 1940 en 1941 werden steeds meer beperkende maatregelen opgelegd aan met name Joodse marktkooplieden. Hoewel uit dit korte briefje niet direct blijkt of Bulips slachtoffer was van dergelijke maatregelen of andere persoonlijke omstandigheden, illustreert het de onverbiddelijke houding van de marktinspectie: wie zonder aanwijsbare reden wegbleef, kon op weinig coulance rekenen.