Getypte brief op officieel briefpapier.
Origineel
Getypte brief op officieel briefpapier. 2 december 1937. Een functionaris van het Grondbedrijf (handtekening onduidelijk, mogelijk J. Molen of vergelijkbaar). DIENST
DER PUBLIEKE WERKEN
(GRONDBEDRIJF)
____
AMSTERDAM, 2 December 1937.
Aan
den Heer C. F. Sixma, Hoofdambtenaar
Marktwezen,
Centrale Markt, Jan van Galenstraat 14,
A M S T E R D A M - W e s t .
________
Zeer geachte Heer Sixma,
Met Uw vragenlijst ga ik in
hoofdzaak accoord. Alleen ben ik bang, dat vele tuinders
vraag 3 (kadastrale aanduiding) niet kunnen beantwoorden.
Daarom ware m.i. op vraag 3 de vraag $3^{a}$ te doen volgen,
luidende b.v. als volgt :
Indien U bovenstaande vraag niet nauwkeurig kunt be-
antwoorden, waar is dan Uw grond gelegen (polder, huisnummer,
enz.) en welke oppervlakte beslaat deze in totaal?
Aan de hand der ingekomen antwoorden kan ik dan wel
een kaart samenstellen, waarop de antwoord gevende tuin-
ders zijn aangegeven.
Met groeten,
Hoogachtend,
[Handgeschreven handtekening]
[Linksonder in potlood/inkt:]
conf.
SB. * Taalgebruik: Het document is opgesteld in formeel, zakelijk Nederlands uit de vooroorlogse periode (bijv. "ware m.i.", "luidende", "accoord").
* Inhoud: De kern van de brief is een praktisch bezwaar tegen een voorgestelde vragenlijst. De afzender voorziet dat tuinders moeite zullen hebben met technische termen zoals "kadastrale aanduiding". Hij stelt een alternatieve vraag voor die focust op herkenbare gegevens (polder, huisnummer) om zo alsnog een geografisch overzicht (kaart) te kunnen maken.
* Administratieve context: De brief getuigt van de samenwerking tussen verschillende gemeentelijke diensten (Marktwezen en Grondbedrijf) bij het verzamelen van data over de agrarische sector rondom de stad. De brief dateert uit 1937, een periode waarin de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat (geopend in 1934) het logistieke hart van de Amsterdamse voedselvoorziening vormden. De "tuinders" waarover gesproken wordt, waren de producenten in de randgebieden van Amsterdam (zoals de Sloterpolder) die hun waren op deze markt aanboden. Het Grondbedrijf was verantwoordelijk voor de uitgifte en het beheer van de gemeentelijke gronden waarop deze tuinders vaak werkten. De poging om de locaties in kaart te brengen, duidt op een behoefte aan betere ruimtelijke ordening of administratieve controle in een tijd van toenemende stedelijke uitbreiding.