Getypt beleidsstuk of voorstel (archiefstuk).
Origineel
Getypt beleidsstuk of voorstel (archiefstuk). Stichting gecentraliseerd tuinbouwbedryf.
Gemeente koopt (c.q. onteigent) grond, verkavelt, legt water- en landwegen aan en bouwt de noodige bruggen.
Verschillende mogelykheden van exploitatie:
a. Gemeente verkoopt kavels aan tuinders.
b. Gemeente verhuurt direct aan tuinders.
c. Gemeente brengt gronden in, in door haar in het leven te roepen stichting, resp. ander lichaam, welke aan tuinders verhuurt.
d. Gemeente verkoopt de grond aan een door de tuinders in het leven te roepen lichaam, hetzy stichting, hetzy coöperatie. Dit lichaam verhuurt de gronden aan tuinders.
Elke verhuring dient op langen termyn te geschieden. De tuinder, die regelmatig zyn verplichtingen als huurder nakomt, moet zekerheid hebben, dat hy over den grond kan beschikken als ware deze zyn eigendom.
By verkoop door de Gemeente volgens a of d kan de koopprys wellicht voor een grooter of kleiner deel als hypotheek blyven staan, waarby een regeling voor langzame amortisatie (volgens annuïteiten of op eenig andere wyze) kan worden getroffen.
Gang van zaken in geval d zal naar voorloopige gedachte als volgt kunnen zyn:
Tuinders-deelnemers storten direct eenig inleggeld als stamkapitaal voor de stichting (coöperatie), dienende o.m. voor de eerste betaling op aankoop gronden.
De huurprys van den grond wordt zoodanig gecalculeerd, dat daarin begrepen zyn:
a. aandeel in de algemeene beheers- en andere exploitatiekosten;
b. rente hypotheek;
c. aflossing hypotheek;
d. vorming van reserve- en waarborgfondsen.
Voor wat het bedrag c betreft wordt de tuinder in de boeken van de stichting (coöperatie) gecrediteerd, resp. worden hem daarvoor aandeelen uitgereikt. Op deze wyze komen de gronden successievelyk in het onbezwaard collectief bezit van de tuinders-deelnemers.
Inrichting der tuinen.
Hiertoe behooren de eerste bewerking der gronden, de aanleg van het bedryf, bouw van woningen, schuren, kassen, bakken, etc.
Dit kan door de tuinders zelf geschieden.
Het is echter gewenscht een lichaam in het leven te roepen, dat door verleening van credieten (c.q. hypotheek) de inrichting kan helpen financieren voor degenen, die daaraan behoefte hebben.
Eventueel zouden vanwege de stichting (coöperatie) welke de gronden exploiteert, indien deze over de noodige geldmiddelen zou kunnen beschikken, op de tuinen, woningen en schuren e.d. kunnen worden geschikt [sic: gesticht?], die dan met de tuindery aan de tuinders-deelnemers worden verhuurd.
De stichting (coöperatie) zou eventueel ook, indien middelen voorhanden zyn als crediet verstrekkend lichaam kunnen optreden.
[Linksonder handgeschreven kanttekening, mogelijk: "gelicht" of een paraaf] Dit document beschrijft een sociaaleconomisch model voor de ontwikkeling van een tuinbouwgebied. Het centrale idee is dat de overheid (de gemeente) de initiële investering doet (grondverwerving en infrastructuur), maar dat het uiteindelijke beheer en eigendom verschuift naar de gebruikers (de tuinders) via een collectieve vorm: een stichting of coöperatie.
De kern van het plan is "Model D". Hierbij fungeert de stichting als intermediair. De tuinders huren hun grond, maar een deel van die huur dient voor de aflossing van de hypotheek op de grond. Hierdoor bouwen de tuinders indirect eigen vermogen op in de stichting. Het einddoel is een "onbezwaard collectief bezit", waarbij de tuinders gezamenlijk eigenaar zijn van de grond die zij bewerken. Dit weerspiegelt idealen van zelfvoorziening en coöperatieve samenwerking die in de vroege 20e eeuw populair waren.
Er wordt ook nagedacht over de financiering van opstallen (huizen, kassen). Het plan suggereert dat de stichting niet alleen de grond beheert, maar ook als kredietverstrekker kan optreden om de mechanisatie en bouw in het gebied te stimuleren. Hoewel een exacte datum ontbreekt, wijst de spelling (gebruik van 'y' in plaats van 'ij' in woorden als 'bedryf' en 'successievelyk') en het taalgebruik op een document uit de eerste helft van de 20e eeuw, waarschijnlijk de jaren '20 of '30 (het Interbellum).
In deze periode was er in Nederland veel aandacht voor de herstructurering van de land- en tuinbouw en de uitbreiding van het areaal (denk aan de Zuiderzeewerken). Tegelijkertijd zocht men naar sociale oplossingen om kleine tuinders een bestaan te bieden zonder hen direct te belasten met zware schulden voor grondaankoop. Coöperatieve bewegingen waren zeer sterk in deze sector. Dit document zou een voorstel kunnen zijn voor een specifiek gebied, zoals de Westlandse tuinbouwstreek of de ontginningen in de Wieringermeer, waarbij men zocht naar een balans tussen gemeentelijke sturing en particulier initiatief.