Archiefdocument
Origineel
6 november 1940 (gebaseerd op de aantekening "6/11/40" in de marge) [Marge linksboven:] 6/11/40 JvH [?]
[Marge rechtsboven:] [15 ex]
Centraal Tuinbouwcomplex Amsterdam
Uit de opstellingen - Drinkgreve (schema's van exploitatierekeningen van tuinbouwbedrijven van verschillende structuur) kan het volgende worden afgeleid.
De schema's geven aan de eene zijde weer de geraamde opbrengsten aan de hand van bepaalde normale teeltschema's en ~~van~~ prijzen welke ~~uitgegaan door~~ eveneens als normaal kunnen worden beschouwd.
Aan de andere zijde zijn de totale ~~der~~ uitgaven opgenomen, welke zoowel de eigenlijke bedrijfsonkosten ~~en uitgaven~~ (inclusief afschrijvings) als ook die uitgaven ~~bevatten~~ die als "privé" zijn te beschouwen, ~~die~~ welke dus feitelijk de inkomsten zijn, die de tuinders uit hun bedrijven ~~verkrijgen~~ verkrijgen.
Teneinde een duidelijk beeld te krijgen van hetgeen eventueel grond en woning ~~zonder~~ [ingevoegd: hoogstens] mogen kosten, bij de stichting van nieuwe bedrijven in het geprojecteerde tuinbouw complex, is het noodig na te gaan, hetgeen de bedrijven, na aftrek van de zuivere [ingevoegd: en pure noodzakelijke] bedrijfskosten als overschot ~~aan de tuinder~~ opleverden.
Daartoe moet de post huur, welke in de opstellingen voorkomt, en waarin blijkbaar én de huur van den grond én die van de woning c.a. is begrepen, worden gesplitst. De grondhuur behoort tot de zuivere bedrijfskosten, de woninghuur tot de privé-uitgave van de tuinder.
[Linksonder:] 202. Dit document is een ambtelijk of economisch concept betreffende de financiële planning voor het "Centraal Tuinbouwcomplex Amsterdam". De kern van het schrijven is de methodologische verantwoording voor het berekenen van de rentabiliteit van nieuwe tuinbouwbedrijven.
De auteur baseert zich op cijfers van "Drinkgreve" (waarschijnlijk een referentie naar een specifiek rapport of een deskundige). Er wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen:
1. Bedrijfskosten: De noodzakelijke kosten om het tuinbouwbedrijf te runnen (inclusief afschrijvingen en de huur voor de grond).
2. Privé-uitgaven: De inkomsten die de tuinder overhoudt voor eigen levensonderhoud, waaruit ook de huur van de woning betaald moet worden.
De tekst is een werkversie, wat blijkt uit de vele doorhalingen en tussenvoegingen (zoals de toevoeging van "hoogstens" bij de kostenraming), bedoeld om de definities van winst en overschot zuiverder te formuleren. Het document dateert van november 1940, de vroege periode van de Duitse bezetting van Nederland. In deze tijd was er, ondanks de oorlogsomstandigheden, sprake van voortgaande ruimtelijke ordening en economische planning in Amsterdam. Het project "Centraal Tuinbouwcomplex" past in de traditie van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam (1934), waarbij gezocht werd naar een efficiënte inrichting van de randgebieden voor voedselvoorziening en werkgelegenheid.
De focus op de scheiding tussen bedrijfs- en woonkosten is cruciaal voor het vaststellen van de pachtprijzen en de sociale haalbaarheid voor de toekomstige tuinders. De verwijzing naar de "Drinkgreve"-schema's suggereert dat er gebruik werd gemaakt van gestandaardiseerde landhuishoudkundige modellen om de economische levensvatbaarheid van de sector te toetsen.