Ambbtelijke brief/memorandum (doorslag van verzonden brief).
Origineel
Ambbtelijke brief/memorandum (doorslag van verzonden brief). 3 juni 1939. Waarschijnlijk U. Sixma (gezien de handgeschreven paraaf rechtsboven). U. Sixma [handgeschreven]
VP/HG. Verzonden 5/6 [handgeschreven]
37/83/6 M.
n 2 3 Juni 1939.
Stichting van een gecentra-
liseerd tuinbouwcomplex bin-
nen de Gemeente Amsterdam. den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 26 Mei
jl. om advies ontvangen stukken no.351 L.M.1939 heb ik de eer
U te berichten, dat ik omtrent de onderhavige aangelegenheid
rapporteerde op 9 Mei jl. (onder No.37/83/3 M.). Met het zich
onder de stukken bevindende rapport van mijn Ambtgenoot voor de
Publieke Werken d.d. 19 Mei jl. (Grb.No.2105/Doss.III^V) kan ik
mij vereenigen. Alleen merk ik met betrekking tot hetgeen is
vermeld in alinea 3 op pagina 4 van dit rapport op, dat het
naar mijn meening niet in de bedoeling moet liggen, dat de
tuinders op den duur volledig eigenaar van den grond zouden kun-
nen worden. De grond zal hetzij in eigendom, hetzij in huur
(of erfpacht) moeten worden uitgegeven aan de door de tuinders
op te richten coöperatie; de individueele tuinders zouden geen
verdere rechten moeten krijgen, dan hun als lid der coöperatie
toekomen.
Intusschen kan deze aangelegenheid wanneer de plannen
worden uitgevoerd nader worden bestudeerd; uiteraard behoeft
hieromtrent thans nog geen beslissing te worden genomen.
Voor de goede orde merk ik nog op, dat het Besluit van
Burgemeester en Wethouders d.d. 5 Mei jl. (No.351 L.M.1939)
vermeldt, dat de vergadering den brief van de Commissie van
Voorbereiding voor de stichting van een gecentraliseerd tuin-
bouwcomplex voor kennisgeving heeft aangenomen. In mijn boven-
aangehaald rapport d.d. 9 Mei jl. verzocht ik te worden gemach- Het document betreft een intern advies binnen het gemeentelijk apparaat van Amsterdam over de organisatie van een nieuw tuinbouwcomplex. De kern van het advies draait om de eigendomsstructuur van de grond.
De schrijver stemt in met het rapport van Publieke Werken, maar maakt één cruciaal voorbehoud: individuele tuinders mogen volgens hem nooit volledig eigenaar van de grond worden. Hij pleit voor een collectieve constructie waarbij de grond wordt uitgegeven aan een coöperatie (via eigendom, huur of erfpacht), terwijl de individuele tuinders slechts rechten ontlenen aan hun lidmaatschap van die coöperatie.
Dit standpunt is ingegeven door de wens van de gemeente om zeggenschap te houden over de bestemming van de grond en te voorkomen dat deze door versnippering of verkoop op de vrije markt aan de tuinbouwbestemming wordt onttrokken. Dit document is geschreven in juni 1939, enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was voedselvoorziening en de ordening van de tuinbouw rondom grote steden als Amsterdam een belangrijk politiek thema. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" (toentertijd de SDAP-wethouder Florentinus Marinus Wibaut jr.) was direct verantwoordelijk voor de distributie en productie van voedsel voor de stad.
De genoemde "Commissie van Voorbereiding" wijst op een grootschalige aanpak van de tuinbouw, waarbij men trachtte de verspreide tuinderijen te rationaliseren in grotere, gecentraliseerde complexen (bijvoorbeeld in de Sloterpolder). De discussie over erfpacht versus eigendom is een klassiek thema in de Amsterdamse ruimtelijke ordening, waarbij de gemeente traditioneel een voorkeur had voor erfpacht om controle op de grondprijs en het gebruik te behouden.