Archief 745
Inventaris 745-342
Pagina 44
Dossier 17
Jaar 1941
Stadsarchief

Verordening (typewerk/besluit).

Origineel

Verordening (typewerk/besluit). $N^o$ 1/19/1 M. 1941 6/5

EERSTE VERORDENING
van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende buitengewone maatregelen op staats- en administratiefrechtelijk gebied.

Op grond van § 5 van het Decreet van den Führer over de uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland van 18 Mei 1940 (R.W.B.I, blz. 778) bepaal ik:

Artikel 1.
Gemeenten, voor welke de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied zulks noodzakelijk acht, worden op den voet van de volgende bepalingen bestuurd.

Artikel 2.
(1) De gemeenteraden, de colleges van burgemeester en wethouders, mitsgaders alle gemeentelijke commissies, zijn ontbonden.
(2) De bevoegdheden en verplichtingen, welke aan de ontbonden lichamen (eerste lid) ingevolge wettelijke bepalingen en ingevolge bepalingen uit overeenkomst behoorden, alsmede de functies van den burgemeester, gaan op een Regeeringscommissaris over.
(3) De werkzaamheden van de wethouders in het gemeentelijk bestuur worden door de ontbinding van de colleges van burgemeester en wethouders overigens niet aangetast, voor zoover in bepaalde gevallen niet anders wordt bepaald.

Artikel 3.
De Regeeringscommissaris is met betrekking tot zijn gezamenlijke ambtswerkzaamheden onderworpen aan het toezicht van den Commissaris der provincie en van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken; hij is gehouden hun aanwijzingen op te volgen.

Artikel 4.
(1) Het bepaalde in artikel 1, onder 8, artikel 2, eerste lid, en artikel 3 van de Verordening No. 108/1940 (Vierde Verordening betreffende bijzondere administratiefrechtelijke maatregelen) is bij de benoeming en het ontslag van den Regeeringscommissaris van toepassing.
(2) De Regeeringscommissaris benoemt en ontslaat de wethouders naar goeddunken. In de hoofdsteden der provinciën en in gemeenten met meer dan 50.000 inwoners behoeft de benoeming en het ontslag door den Regeeringscommissaris de goedkeuring van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken.

Artikel 5.
De Regeeringscommissaris benoemt vier tot acht mannen, die hem bij de uitoefening van zijn taak van raad dienen. Zij voeren den titel van "Raadsman van den Regeeringscommissaris".

Artikel 6.
(1) De gemeenten, ten opzichte van welke de bepalingen dezer verordening toepassing vinden, worden door den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied bij decreet aangewezen.
(2) Het decreet wordt in het Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied afgekondigd.

Artikel 7.
De voor de uitvoering van deze verordening noodige voorschriften kunnen bij instructie worden gegeven.

z.o.z. Dit document vormt de juridische basis voor de zogenaamde "Gleichschaltung" (gelijkschakeling) van het Nederlandse lokaal bestuur tijdens de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste bepalingen zijn:

  1. Afschaffing van de lokale democratie: Artikel 2 ontbindt direct de gemeenteraden en de colleges van burgemeester en wethouders. De macht wordt geconcentreerd bij één persoon: de "Regeeringscommissaris".
  2. Centralisatie van de macht: De Regeeringscommissaris staat onder direct toezicht van de Secretaris-Generaal van Binnenlandse Zaken en de Commissaris der Provincie, die op hun beurt onder controle van de bezetter stonden.
  3. Vervanging van gekozen organen door adviseurs: Artikel 5 vervangt de volksvertegenwoordiging door een groep benoemde "raadslieden", die slechts een adviserende rol hebben zonder beslissingsbevoegdheid.
  4. Uitzonderingspositie grote steden: In steden met meer dan 50.000 inwoners behoudt het centrale gezag (de Secretaris-Generaal) de controle over de benoeming van wethouders (Artikel 4). Na de Duitse inval in mei 1940 bleef het Nederlandse overheidsapparaat grotendeels intact, maar het werd gaandeweg genazificeerd. Deze verordening (bekend als Verordening 152/1941) markeerde een definitieve breuk met het democratische bestel.

Door de gemeenteraden naar huis te sturen, schakelde de Rijkscommissaris (Arthur Seyss-Inquart) de lokale politieke controle uit. Het ambt van burgemeester werd vervangen door of omgevormd tot dat van regeringscommissaris, waardoor de functionaris een directe uitvoerder van de centrale (Duitse) bevelen werd. Dit stelde de bezetter in staat om maatregelen, zoals de Jodenvervolging en de arbeidsinzet, effectiever door te voeren op lokaal niveau zonder tegenstand van gekozen vertegenwoordigers.

Samenvatting

Dit document vormt de juridische basis voor de zogenaamde "Gleichschaltung" (gelijkschakeling) van het Nederlandse lokaal bestuur tijdens de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste bepalingen zijn:

  1. Afschaffing van de lokale democratie: Artikel 2 ontbindt direct de gemeenteraden en de colleges van burgemeester en wethouders. De macht wordt geconcentreerd bij één persoon: de "Regeeringscommissaris".
  2. Centralisatie van de macht: De Regeeringscommissaris staat onder direct toezicht van de Secretaris-Generaal van Binnenlandse Zaken en de Commissaris der Provincie, die op hun beurt onder controle van de bezetter stonden.
  3. Vervanging van gekozen organen door adviseurs: Artikel 5 vervangt de volksvertegenwoordiging door een groep benoemde "raadslieden", die slechts een adviserende rol hebben zonder beslissingsbevoegdheid.
  4. Uitzonderingspositie grote steden: In steden met meer dan 50.000 inwoners behoudt het centrale gezag (de Secretaris-Generaal) de controle over de benoeming van wethouders (Artikel 4).

Historische Context

Na de Duitse inval in mei 1940 bleef het Nederlandse overheidsapparaat grotendeels intact, maar het werd gaandeweg genazificeerd. Deze verordening (bekend als Verordening 152/1941) markeerde een definitieve breuk met het democratische bestel.

Door de gemeenteraden naar huis te sturen, schakelde de Rijkscommissaris (Arthur Seyss-Inquart) de lokale politieke controle uit. Het ambt van burgemeester werd vervangen door of omgevormd tot dat van regeringscommissaris, waardoor de functionaris een directe uitvoerder van de centrale (Duitse) bevelen werd. Dit stelde de bezetter in staat om maatregelen, zoals de Jodenvervolging en de arbeidsinzet, effectiever door te voeren op lokaal niveau zonder tegenstand van gekozen vertegenwoordigers.

Kooplieden in dit dossier 1