Proces-verbaal / Verhoor van een verdachte.
Origineel
Proces-verbaal / Verhoor van een verdachte. 10 april 1941. Verhoor van den verdachte J. VLEESDRAAGER.
In verband met hetgeen in nevingaand proces-verbaal is gerelateerd, hoorde ik, relatant Blonk op 10 April 1941, den in dat verbaal genoemden: Jacob Vleesdraager, geboren te Amsterdam, 28 Januari 1908, van beroep winkelier in groenten, aardappelen en fruit, wonende te Amsterdam, Uiterwaardenstraat no. 69 huis, die als volgt verklaart: "Ik ben de zoon van Mozes Vleesdraager en Lena Blits. Beiden zijn nog in leven. Ik ben nimmer terzake misdrijf veroordeeld. Ik erken, dat op Zaterdag 5 April 1941, twee ambtenaren der Crisis-Dienst in mijn winkel zijn geweest en een contrôleur der Centrale Markt, welke laatste in uniform was gekleed. Ik had een partij aardappelen in mijn perceel, die ik buiten de Wettelijk vastgestelde regelen had gekocht. Ik had die aardappelen op Woensdag 2 April 1941 gekocht van een mij onbekenden man, die ik op de Centrale Markt alhier had gesproken. Ik erken, dat ik tegen de bedoelde ambtenaren op 5 April 1941 heb gezegd, dat ik die aardappelen had gekocht tegen 11 cent per kilogram, en in dat geval zou ik ze hebben gekocht ver boven de vastgestelde prijs. Ik heb echter op 5 April 1941 een vergissing begaan, door dit te verklaren, want in werkelijkheid heb ik die aardappelen van dien "onbekenden" man gekocht voor 6 ½ cent per kilogram. De grossier in groenten en fruit Keizer der Centrale Markt alhier heeft die aardappelen voor mij van de Centrale Markt doen vervoeren tegen het berekende expeditieloon, dat ongeveer tien gulden zal zijn, maar ik heb Keizer nog niet betaald. Ik heb op 2 April dien "onbekenden man" de aardappelen wel direct na den koop betaald en wel 231 gulden. Toen de contrôleur van het Marktwezen en die ambtenaren de overtreding hadden geconstateerd, zeide de contrôleur, dat hij beslag legde op de geheele partij aardappelen, die ongeveer 60 hectoliter zal zijn geweest. Die contrôleur zeide, dat ik er verantwoordelijk werd gesteld, dat die aardappelen onder beslag waren gelegd en ik ze dus niet mocht weg maken. Dienzelfden avond 5 April 1941 kwam Keizer aan mijn zaak in de Eemsstraat 2 alhier en kwam het gesprek zooals begrijpelijk is over de overtreding, die hij en ik hadden gepleegd, met het koopen en vervoeren der aardappelen. Ik zeide tegen Keizer, dat die aardappelen in beslag waren genomen en ik er heb er hem niet over gesproken, dat hij die aardappelen weder moest weghalen, ook niet omdat ik begreep, dat ik dan in moeilijkheden zou komen. Op Maandag 7 April 1941, des morgens reeds om 6.30 uur kwam een vrachtauto met twee mannen aan mijn zaak in de Eemsstraat 2 alhier. Die mannen zeiden dat zij de aardappelen kwamen halen. Ze zeiden echter niet, dat ze van de Politie kwamen, doch deelden mij slechts mede, dat ze de aardappelen kwamen halen. Ik wist het wel niet zeker, dat Keizer die mannen had gestuurd, maar mijn vermoeden was direct, dat Keizer die mannen had gestuurd, hoewel ik dat niet met zekerheid kan verklaren. Ik heb die mannen toen de geheele partij aardappelen, waarop door den contrôleur beslag was gelegd op de auto laten laden en zijn ze met die aardappelen weggereden, doch ik weet niet waar ze die aardappelen naar toe hebben gebracht. Ik was blij, dat die aardappelen mijn zaak uit waren en zag den ernst van het feit niet in. Ik heb van niemand het geld, dat ik voor die aardappelen had betaald terug ontvangen en lijd dus tot op heden een financieele schade van 231 gulden. Ik ken de man van wien ik de aardappelen gekocht heb niet en ook zijn de mannen, die op 7 April 1941 die aardappelen bij mij weg hebben gehaald mij niet bekend. Na voorlezing en volharding teeken ik deze verklaring."
Zooals uit de verklaring van verdachte blijkt, beweert hij niet met Keizer te hebben gesproken, dat Keizer moest zorgen, dat die aardappelen zouden worden weggehaald, niettegenstaande Vleesdraager tevoren had toegegeven, dat hij met Keizer had afgesproken, dat deze de inbeslaggenomen aardappelen zou laten weghalen. Toen ik hem met Keizer confronteerde herriep verdachte deze verklaring weder en bleef hij bij zijn verklaring, dat twee hem onbekende mannen de aardappelen hadden weggehaald. Blijkens de Politieadministratie werd verdachte nimmer terzake misdrijf veroordeeld.
Verdachte werd op 9 April 1941 door den Commissaris van Politie in de 2e sectie in verzekering gesteld en werd op 10 April 1941 op last van den Commissaris van Politie voornoemd weder in vrijheid gesteld.
Niettegenstaande ik, relatant, nog een onderzoek heb ingesteld om de partij aardappelen te achterhalen is dat niet mogen gelukken. Waarvan door mij op afgelegden ambtseed is opgemaakt, dit proces-verbaal en gesloten te Amsterdam op 12 April 1941.
De Agent van Politie voornoemd,
Gezien,
De Commissaris van Politie,
in de 2e sectie. Het document is een getuigenverklaring en verslag van een politie-onderzoek naar economische delicten tijdens de Duitse bezetting. Jacob Vleesdraager, een groentewinkelier, wordt verhoord over de illegale aankoop van 60 hectoliter aardappelen.
De kern van de zaak is tweeledig:
1. Prijsbeheersing: Vleesdraager kocht aardappelen buiten de officiële kanalen om. Hij verklaarde eerst 11 cent per kilo te hebben betaald (een overtreding van de maximumprijs), maar corrigeerde dit later naar 6,5 cent.
2. Onttrekking aan beslag: Nadat de Crisis-Dienst beslag had gelegd op de partij, verdween deze op mysterieuze wijze met een vrachtauto. Hoewel Vleesdraager de grossier Keizer verdenkt, ontkent hij onder druk een eerdere bekentenis over een afspraak met Keizer.
De politie lijkt sceptisch over de verklaring van de verdachte ("herriep verdachte deze verklaring weder"), maar kan de partij aardappelen niet traceren. De financiële schade voor de winkelier (231 gulden) was voor die tijd aanzienlijk. Dit document stamt uit april 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De schaarste nam toe en de bezetter stelde strikte regels op voor de distributie en beprijzing van voedsel (de Crisis-Dienst speelde hierbij een centrale rol). De zwarte handel was wijdverbreid, maar de risico's waren groot.
Extra relevant is de identiteit van de verdachte. De namen Jacob Vleesdraager, Mozes Vleesdraager en Lena Blits duiden op een Joodse achtergrond. In april 1941 waren de anti-Joodse maatregelen in Amsterdam al in volle gang (na de Februaristaking van 1941). Voor Joodse winkeliers was de controle extra streng en de juridische positie precair. De Uiterwaardenstraat en Eemsstraat liggen in de Rivierenbuurt, een wijk waar in die tijd veel Joodse Amsterdammers woonden. Jacob Vleesdraager is, volgens bronnen van het Joods Monument, later tijdens de oorlog in de Holocaust vermoord (Auschwitz, 1942). Dit geeft dit ogenschijnlijk puur economische proces-verbaal een tragische historische lading.