Archief 745
Inventaris 745-342
Pagina 244
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Proces-verbaal van verhoor (typschrift).

Origineel

Proces-verbaal van verhoor (typschrift). Verhoor van G.P.Keizer.

Op Woensdag, 9 April 1941 hoorde ik, Hendrik Blonk, agent van Politie, tevens onbezoldigd veldwachter der gemeente Amsterdam, dienstdoende aan de 2e sectie-1e afdeeling (Bureau Marnixstraat te Amsterdam), Gerard Pieter Keizer, geboren te Amsterdam, 18 Augustus 1910, van beroep grossier in fruit, zaakdrijvende aan de Centrale Markt te Amsterdam, wonende te Amsterdam, Admiraal de Ruyterweg no.236 huis, die als volgt verklaarde: "Ik heb een standplaats voor groenten en fruit aan de Centrale Markt en ben daar huurder der loodsen, genummerd 26 en 28 in de Groote Hal. Ik handel niet in aardappelen, omdat ik daartoe geen vergunning heb bekomen. Jacob Vleesdraager, zaakdrijvende te Amsterdam, Eemsstraat no.2 is een klant van mij en het gebeurt wel meer, dat ik aardappelen, die hij op de Centrale Markt heeft gekocht voor hem rijd naar zijn zaak, waarvoor ik dan het expeditie-loon krijg uitbetaald. Op Woensdag 2 April 1941, des morgens zeide Vleesdraager tegen mij, dat hij een groote partij aardappelen van de Centrale Markt wilde doen vervoeren naar zijn zaak. Hij toonde mij toen een groote partij kisten, gevuld met aardappelen, die reeds tegen mijn loods waren opgestapeld. Vleesdraager ~~zeide~~, dat hij die aardappelen van anderen had gekocht, doch van wien wilde hij mij niet zeggen en ik heb er ook niet naar gevraagd. Ik ~~ziexx~~ zeide tegen Vleesdraager, dat het laat zou worden, daar mijn chauffeur, genaamd Icke, voor mij naar het Westland was om groenten en fruit te halen. Vleesdraager zeide, dat hij er op rekende, dat mijn chauffeur met de aardappelen zou komen. Het is mij niet bekend, dat er voor het vervoer van aardappelen een vervoersbewijs moet zijn. Dienzelfden avond gaf ik mijn chauffeur opdracht om die kisten aardappelen naar Vleesdraager te brengen, wat hij dan ook heeft gedaan. Ik had met Vleesdraager afgesproken, dat hij mij tien gulden zou betalen voor het vervoeren van die kisten aardappelen. Zaterdag 5 April 1941 vroeg de contrôleur Marktwezen mij of ik de aardappelen naar Vleesdraager had vervoerd, wat ik dan ook onmiddellijk heb toegegeven en alles naar waarheid heb medegedeeld. Ik heb Vleesdraager na 5 April 1941 niet meer persoonlijk gesproken, doch wel heb ik hem telephonisch om inlichtingen gevraagd en heeft hij mij niet gezegd, dat die aardappelen in beslag waren genomen.
Ik ontken ten stelligste, dat ik die aardappelen weder vanuit de zaak van Vleesdraager heb vervoerd.
Meerdere terzake dienende inlichtingen kan ik U niet verstrekken en teeken ik deze verklaring na voorlezing en volharding."

Waarvan door mij op afgelegden ambtseed is opgemaakt dit proces-verbaal en gesloten te Amsterdam op 12 April 1941.

De Agent van Politie voornoemd,

Gezien:
De Commissaris van Politie
in de 2e sectie, In dit verhoor legt Gerard Pieter Keizer, een fruitgrossier werkzaam op de Centrale Markthallen in Amsterdam, een verklaring af over zijn rol bij het transport van een partij aardappelen voor een klant, Jacob Vleesdraager.

De kern van de zaak is dat Keizer geen vergunning heeft om in aardappelen te handelen, maar wel optreedt als transporteur voor Vleesdraager tegen een betaling van tien gulden. Keizer probeert zich te verweren door te stellen dat hij niet wist dat er voor dit transport een specifiek vervoersbewijs nodig was. Hij geeft toe de rit te hebben uitgevoerd op 2 april 1941, maar ontkent nadrukkelijk dat hij de aardappelen later weer heeft weggehaald bij Vleesdraager (vermoedelijk nadat de inspectie onraad rook). Opvallend is dat de aardappelen inmiddels door de autoriteiten in beslag lijken te zijn genomen, iets waar Keizer naar eigen zeggen pas later via de telefoon achter kwam. Dit document stamt uit april 1941, de periode van de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de voedselvoorziening strikt gereguleerd via het distributiestelsel. Het verhandelen of vervoeren van producten zoals aardappelen zonder de juiste papieren (vervoersbewijzen) werd beschouwd als een economisch delict en was vaak gelinkt aan de zwarte handel.

De Centrale Markthallen in Amsterdam-West waren een cruciaal knooppunt voor de voedseldistributie en stonden onder streng toezicht van de Crisiscontrole-dienst en het Marktwezen. De achternaam van de klant, 'Vleesdraager', is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam; gezien de datum (vlak na de invoering van de eerste grootschalige anti-Joodse maatregelen en de Februaristaking) kan de achtergrond van de betrokkenen extra juridische of persoonlijke risico's met zich mee hebben gebracht, hoewel het proces-verbaal zich strikt beperkt tot de economische overtreding. De verhorende instantie, Bureau Marnixstraat (2e sectie), was een van de hoofdbureaus van de Amsterdamse politie.

Samenvatting

In dit verhoor legt Gerard Pieter Keizer, een fruitgrossier werkzaam op de Centrale Markthallen in Amsterdam, een verklaring af over zijn rol bij het transport van een partij aardappelen voor een klant, Jacob Vleesdraager.

De kern van de zaak is dat Keizer geen vergunning heeft om in aardappelen te handelen, maar wel optreedt als transporteur voor Vleesdraager tegen een betaling van tien gulden. Keizer probeert zich te verweren door te stellen dat hij niet wist dat er voor dit transport een specifiek vervoersbewijs nodig was. Hij geeft toe de rit te hebben uitgevoerd op 2 april 1941, maar ontkent nadrukkelijk dat hij de aardappelen later weer heeft weggehaald bij Vleesdraager (vermoedelijk nadat de inspectie onraad rook). Opvallend is dat de aardappelen inmiddels door de autoriteiten in beslag lijken te zijn genomen, iets waar Keizer naar eigen zeggen pas later via de telefoon achter kwam.

Historische Context

Dit document stamt uit april 1941, de periode van de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de voedselvoorziening strikt gereguleerd via het distributiestelsel. Het verhandelen of vervoeren van producten zoals aardappelen zonder de juiste papieren (vervoersbewijzen) werd beschouwd als een economisch delict en was vaak gelinkt aan de zwarte handel.

De Centrale Markthallen in Amsterdam-West waren een cruciaal knooppunt voor de voedseldistributie en stonden onder streng toezicht van de Crisiscontrole-dienst en het Marktwezen. De achternaam van de klant, 'Vleesdraager', is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam; gezien de datum (vlak na de invoering van de eerste grootschalige anti-Joodse maatregelen en de Februaristaking) kan de achtergrond van de betrokkenen extra juridische of persoonlijke risico's met zich mee hebben gebracht, hoewel het proces-verbaal zich strikt beperkt tot de economische overtreding. De verhorende instantie, Bureau Marnixstraat (2e sectie), was een van de hoofdbureaus van de Amsterdamse politie.

Locaties

Amsterdam Bureau Marnixstraat (2e sectie).

Kooplieden in dit dossier 1