Archief 745
Inventaris 745-349
Pagina 363
Dossier 24
Jaar 1941
Stadsarchief

Doorslag of kantoorkopie van een officiële brief.

8 april 1941. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen Amsterdam).

Origineel

Doorslag of kantoorkopie van een officiële brief. 8 april 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen Amsterdam). [Handgeschreven, paars potlood]: Verzonden 8/4
[Handgeschreven, blauwe inkt]: lu de leer [?]
HG.

den Heer H.L. Barendse,
Albert Cuypstraat 112 II voor,
Amsterdam-Zuid.

Wijk 14.

25/40/2 M.
8 April 1941.

Naar aanleiding van Uw brief d.d. 20 Maart jl. verleen ik U hierbij gedurende drie maanden na dato dezes toestemming Uw plaats op de markt Albert Cuypstraat niet te bezetten. U dient er echter zorg voor te dragen, dat het ook tijdens Uw afwezigheid verschuldigde marktgeld geregeld wekelijks bij den dienstdoenden marktambtenaar wordt betaald.

De Directeur,

--- Deze brief is een formeel besluit van de directeur van het Amsterdamse marktwezen aan de heer H.L. Barendse. Barendse heeft op 20 maart 1941 een verzoek ingediend om zijn marktplaats op de Albert Cuypmarkt tijdelijk niet te hoeven bezetten. De directeur willigt dit verzoek in voor een periode van drie maanden vanaf de datum van de brief.

Er wordt echter een strikte voorwaarde gesteld: het wekelijkse marktgeld moet doorbetaald blijven worden aan de dienstdoende marktambtenaar. Dit was cruciaal om de rechten op de standplaats te behouden. Het adres van de ontvanger (Albert Cuypstraat 112) geeft aan dat hij pal aan de markt woonde waar hij zijn nering dreef.

--- Het document dateert van april 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Albert Cuypmarkt was destijds een van de belangrijkste markten van Amsterdam, gelegen in een buurt met een grote Joodse populatie en veel Joodse handelaren.

In deze periode nam de druk op marktkooplieden toe door schaarste, maar ook door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Hoewel uit deze specifieke brief niet direct blijkt of de heer Barendse Joods was of wat de reden voor zijn verzoek was (zoals ziekte of gebrek aan handelswaar), past het document in de administratieve geschiedenis van de Amsterdamse markten tijdens de oorlog. Dergelijke verzoeken om tijdelijke afwezigheid werden vaak ingediend wanneer kooplieden door omstandigheden hun werk niet meer konden uitvoeren, maar hun licentie niet wilden verliezen. Enkele maanden na deze brief, in het najaar van 1941, zouden Joodse kooplieden volledig van de reguliere markten worden geweerd en verbannen naar speciaal aangewezen "Joodse markten".

Samenvatting

Deze brief is een formeel besluit van de directeur van het Amsterdamse marktwezen aan de heer H.L. Barendse. Barendse heeft op 20 maart 1941 een verzoek ingediend om zijn marktplaats op de Albert Cuypmarkt tijdelijk niet te hoeven bezetten. De directeur willigt dit verzoek in voor een periode van drie maanden vanaf de datum van de brief.

Er wordt echter een strikte voorwaarde gesteld: het wekelijkse marktgeld moet doorbetaald blijven worden aan de dienstdoende marktambtenaar. Dit was cruciaal om de rechten op de standplaats te behouden. Het adres van de ontvanger (Albert Cuypstraat 112) geeft aan dat hij pal aan de markt woonde waar hij zijn nering dreef.


Historische Context

Het document dateert van april 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Albert Cuypmarkt was destijds een van de belangrijkste markten van Amsterdam, gelegen in een buurt met een grote Joodse populatie en veel Joodse handelaren.

In deze periode nam de druk op marktkooplieden toe door schaarste, maar ook door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Hoewel uit deze specifieke brief niet direct blijkt of de heer Barendse Joods was of wat de reden voor zijn verzoek was (zoals ziekte of gebrek aan handelswaar), past het document in de administratieve geschiedenis van de Amsterdamse markten tijdens de oorlog. Dergelijke verzoeken om tijdelijke afwezigheid werden vaak ingediend wanneer kooplieden door omstandigheden hun werk niet meer konden uitvoeren, maar hun licentie niet wilden verliezen. Enkele maanden na deze brief, in het najaar van 1941, zouden Joodse kooplieden volledig van de reguliere markten worden geweerd en verbannen naar speciaal aangewezen "Joodse markten".