Archief 745
Inventaris 745-349
Pagina 485
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief/memo.

23 juni 1941. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen).

Origineel

Getypte ambtelijke brief/memo. 23 juni 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen). vB/HG.

25/60/2 M.
1 23 Juni 1941.

Klacht winkelier
G.W.Hartkamp.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

         Onder terugzending van het mij met Uw kantbrief d.d.

24 Mei jl. onder no.551 L.M.1941 om advies gezonden stuk, heb
ik de eer U te berichten, dat adressante haar winkel in schil-
derijen en aanverwante artikelen, gevestigd in perceel Albert
Cuypstraat 198, eerst anderhalf jaar geleden is begonnen. Den
marktkoopman B.de Vries, over wien adressante schrijft, is
echter reeds op 26 September 1938 (dus ruim twee en een half
jaar geleden) de bewuste plaats als vaste plaats toegewezen.
Concurrentiebezwaren, waarmede ook ten aanzien van winkeliers,
steeds rekening wordt gehouden, bestonden dus ten tijde der
toewijzing van deze plaats niet, zoodat de marktkoopman de
oudste rechten kan doen gelden en de klacht van adressante uit
dien hoofde volkomen ongegrond is en dus moet worden afgewezen.
Inmiddels heeft De Vries een andere plaats die in de onmid-
dellijke omgeving was vrijgekomen en waarvoor hij reglementair
in aanmerking kon worden gebracht, geaccepteerd. Hij bezet
deze plaats sinds 16 Juni jl. De aangelegenheid kan hiermede
als afgedaan worden beschouwd.

                                       De Directeur, In dit document adviseert de directeur (waarschijnlijk van de relevante gemeentelijke dienst) de wethouder over een conflict op de Albert Cuypmarkt. Een winkelierster, G.W. Hartkamp (gevestigd op nummer 198, een zaak in schilderijen), had geklaagd over de aanwezigheid van marktkoopman B. de Vries voor haar deur, waarschijnlijk vanwege concurrentie of hinder.

De conclusie van de directeur is helder: de klacht is ongegrond. De reden hiervoor is het 'recht van de oudste': de marktkoopman had zijn vaste plek al sinds 1938, terwijl de winkelierster haar zaak pas anderhalf jaar (dus rond begin 1940) was gestart. In dergelijke gevallen kregen de bestaande rechten van de marktkoopman voorrang. De zaak wordt uiteindelijk pragmatisch opgelost omdat de marktkoopman inmiddels een andere plek in de buurt heeft geaccepteerd.

Opvallend is de handgeschreven notitie in blauw potlood bovenaan: "laten". Dit is een typisch ambtelijke kanttekening die aangeeft dat de zaak zo gelaten kan worden of dat er geen verdere actie vereist is. Het document dateert uit juni 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een alledaags conflict tussen een winkelier en een marktkoopman beschrijft, vindt dit plaats in een periode van toenemende spanningen en restricties. De Albert Cuypstraat was en is een van de belangrijkste marktstraten van Amsterdam.

In 1941 werden de anti-Joodse maatregelen door de bezetter steeds strenger. Hoewel uit dit specifieke document niet direct blijkt of de betrokkenen Joods waren, was de Albert Cuypmarkt een plek met veel Joodse handelaren die in deze periode onder grote druk stonden of al van de markt werden geweerd. Dit document toont echter aan dat de reguliere stedelijke bureaucratie en de afhandeling van marktgeschillen op basis van geldende reglementen (zoals anciënniteit) in de zomer van 1941 formeel nog gewoon doorgingen.

Samenvatting

In dit document adviseert de directeur (waarschijnlijk van de relevante gemeentelijke dienst) de wethouder over een conflict op de Albert Cuypmarkt. Een winkelierster, G.W. Hartkamp (gevestigd op nummer 198, een zaak in schilderijen), had geklaagd over de aanwezigheid van marktkoopman B. de Vries voor haar deur, waarschijnlijk vanwege concurrentie of hinder.

De conclusie van de directeur is helder: de klacht is ongegrond. De reden hiervoor is het 'recht van de oudste': de marktkoopman had zijn vaste plek al sinds 1938, terwijl de winkelierster haar zaak pas anderhalf jaar (dus rond begin 1940) was gestart. In dergelijke gevallen kregen de bestaande rechten van de marktkoopman voorrang. De zaak wordt uiteindelijk pragmatisch opgelost omdat de marktkoopman inmiddels een andere plek in de buurt heeft geaccepteerd.

Opvallend is de handgeschreven notitie in blauw potlood bovenaan: "laten". Dit is een typisch ambtelijke kanttekening die aangeeft dat de zaak zo gelaten kan worden of dat er geen verdere actie vereist is.

Historische Context

Het document dateert uit juni 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een alledaags conflict tussen een winkelier en een marktkoopman beschrijft, vindt dit plaats in een periode van toenemende spanningen en restricties. De Albert Cuypstraat was en is een van de belangrijkste marktstraten van Amsterdam.

In 1941 werden de anti-Joodse maatregelen door de bezetter steeds strenger. Hoewel uit dit specifieke document niet direct blijkt of de betrokkenen Joods waren, was de Albert Cuypmarkt een plek met veel Joodse handelaren die in deze periode onder grote druk stonden of al van de markt werden geweerd. Dit document toont echter aan dat de reguliere stedelijke bureaucratie en de afhandeling van marktgeschillen op basis van geldende reglementen (zoals anciënniteit) in de zomer van 1941 formeel nog gewoon doorgingen.

Locaties

Albert Cuypstraat 198 Amsterdam.