Officiële brief/doorslag van een besluit.
Origineel
Officiële brief/doorslag van een besluit. 26 juni 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). Den Heer D. Theeboom, Amstellaan 46, Amsterdam-Zuid. [Handgeschreven rechtsboven:] H de Boer
[Getypt rechtsboven:] VB/HG.
[Handgeschreven middenboven:] Verzonden 26/6
[Getypt middenboven:]
den Heer D.Theeboom,
Amstellaan 46,
Amsterdam-Zuid.
[Rechtsonder adressering:] Wijk 22A.
[Links:] 25/68/2 M.
[Rechts:] 26 Juni 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 10 Juni jl. bericht ik U,
dat ik bereid ben U weder in het bezit te stellen van Uw vaste
plaats op de markt Albert Cuypstraat. U kunt zich hierover verstaan
met den op deze markt dienstdoenden chef-marktopzichter, bij wien
U eveneens ten spoedigste het nog door U verschuldigde marktgeld ten
bedrage van f 4,05 over de periode van 5 tot 24 Mei jl. dient te
voldoen.
De Directeur, De brief is een formeel antwoord aan de heer D. Theeboom betreffende zijn staanplaats op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. De directeur van de marktdienst deelt mee dat de heer Theeboom zijn vaste plek mag hernemen, mits hij een achterstallige betaling van 4,05 gulden voldoet aan de chef-marktopzichter. Het bedrag heeft betrekking op de periode van 5 tot 24 mei 1941. De toon is strikt zakelijk en administratief. Dit document is historisch saillant vanwege de datum: juni 1941, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De naam "Theeboom" is een bekende naam binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam, en de Amstellaan (de huidige Vrijheidslaan) was een buurt waar in die tijd veel Joodse gezinnen woonden.
De brief illustreert de administratieve realiteit van vlak vóór de totale uitsluiting: hoewel de anti-Joodse maatregelen in 1941 in snel tempo werden opgevoerd, mochten Joodse marktkooplieden op dat moment blijkbaar nog (onder voorwaarden) hun beroep uitoefenen op de reguliere markten. Dit zou echter zeer kort daarna veranderen; in september 1941 werden Joden door de bezetter definitief verbannen van de algemene markten en werden er speciale "Joodse markten" ingesteld. De korte onderbreking in de betaling (mei 1941) waarnaar in de brief verwezen wordt, zou mogelijk een gevolg kunnen zijn van de onrust en de beperkende maatregelen die toen al van kracht werden. D. Theeboom