Administratieve kaart/notitie van de gemeentelijke marktdienst (Amsterdam).
Origineel
Administratieve kaart/notitie van de gemeentelijke marktdienst (Amsterdam). [Linksboven, stempel in kader]
BIJBLAD VAN:
M.r – No. 20/24/1, 1941
DOORGEZONDEN: 19/4-'41.
[Rechtsboven, handgeschreven]
4/29
[Midden boven, handgeschreven]
J. Smits pl. 32 Westerstraat
" 2a Lindengracht
galanterieën.
[Midden, handgeschreven]
29 Mrt. '41 gewaarschuwd om
geregeld van marktplaats Westerstraat
gebruik te maken.
[Onder, handgeschreven advies]
Tegen inwilliging v/h [van het]
verzoek v J. Smits gedurende één maand
zijn plaatsen op de markten
Lindengracht en Westerstraat
niet in te nemen, bestaat m.i. [mijns inziens] geen bezwaar.
[Rechtsonder bij advies]
Th. v Burg
advies 11-4-'41
de Heer
[Links in de kantlijn, verticaal/schuin]
18/4/41
[paraaf]
[Rode stempel/inkt]
20/24/2 M
[Onderaan, handgeschreven besluit]
modelbriefje 1 maand
marktgeld doorbetalen
[Rechts bij besluit]
15-4-'41
de Heer
HS 17/4 '41 [datum en paraaf]
[Linksonder, drukwerk]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Het document is een dossierstuk betreffende de marktkoopman J. Smits, die handelde in galanterieën (kleinere mode-artikelen en snuisterijen). Hij bezat twee vaste standplaatsen op bekende Amsterdamse markten: nummer 32 in de Westerstraat en nummer 2a op de Lindengracht.
De administratieve gang van zaken is als volgt te reconstrueren:
1. 29 maart 1941: Smits krijgt een waarschuwing omdat hij zijn plek in de Westerstraat niet regelmatig bezet. Standplaatshouders waren verplicht hun plek te gebruiken om de markt vitaal te houden.
2. April 1941: Smits dient een verzoek in om gedurende één maand zijn plaatsen niet te hoeven innemen. De reden wordt niet vermeld, maar kan ziekte of voorraadtekort zijn geweest.
3. 11 april 1941: Ambtenaar Th. van Burg geeft een positief advies over dit verzoek.
4. 15 april 1941: Er wordt besloten het verzoek in te willigen. Er moet een "modelbriefje" (standaardbrief) worden gestuurd voor één maand afwezigheid, op voorwaarde dat het marktgeld wel wordt doorbetaald.
5. 19 april 1941: Het stuk wordt definitief administratief verwerkt en doorgezonden naar het archief/volgende instantie. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Tijdens de oorlog was de controle op markten en handel zeer strikt. De overheid wilde voorkomen dat er "gaten" in de markt vielen of dat er ongecontroleerde handel plaatsvond. Het onbezet laten van een schaarse standplaats zonder geldige reden kon leiden tot het intrekken van de vergunning.
De markten in de Jordaan (Westerstraat en Lindengracht) waren destijds, net als nu, belangrijke centra voor de lokale goederenvoorziening. Het feit dat er specifiek wordt vermeld dat het marktgeld moet worden doorbetaald, wijst op de noodzaak voor de gemeente om inkomsten te behouden, zelfs als de koopman er niet fysiek staat. De term "galanterieën" duidt op goederen die in oorlogstijd steeds schaarser werden door tekorten aan grondstoffen en distributiebeperkingen.