Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. Vrijdag, 26 mei 1950. [Stempel linksboven:] № 1018 LM 1950
[Handgeschreven rechtsboven:]
Directeur Marktwezen
ter kennisneming.
[Stempel midden boven:] № 102 / 1 / 1 M. 1950 [Handgeschreven:] 23/6
No. 1/3 P.W. 1949
Instelling Gemeentelijke Zuiderzee-Commissie.
[Handgeschreven aantekening rechterzijde:]
Mu Dir.
door bij ons
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Vrijdag, 26 Mei 1950.
De Wethouder voor de Publieke Werken deelt met betrekking tot de verdere inpoldering van de zuidelijke polders van het IJselmeer het volgende mede:
Bij de behandeling van de Gemeentebegroting voor 1941 werd in de raadsvergadering van 19 December 1940 door de raadsleden Jansma c.s. een voorstel ingediend tot het doen instellen van een commissie om te rapporteren over Amsterdams belangen bij de zuidelijke polders van het IJselmeer. Dit voorstel werd in die vergadering in handen van Burgemeester en Wethouders gesteld om praeadvies. Dit praeadvies is echter niet verschenen, omdat ten tijde, dat het zou kunnen worden uitgebracht, de Raad door de bezetter reeds was ontbonden.
De Regeringscommissaris voor Amsterdam vond in het ter zak door de Directeur der Publieke Werken uitgebrachte rapport aanleiding over te gaan tot het instellen van een gemeentelijke Commissie, welke tot taak had hem te rapporteren over de belangen, welke voor Amsterdam zijn verbonden aan de totstandkoming van de zuidelijke polders van het IJselmeer en hem ter zake de nodige voorstellen te doen.
In deze commissie werden benoemd:
tot voorzitter: de Wethouder voor de Publieke Werken;
tot leden: de hoofden van de navolgende gemeentediensten: Publieke Werken, Handelsinrichtingen, Havendienst, Waterleidingen, Marktwezen en Gemeentelijk Bureau voor Werkverruiming, alsmede twee vertegenwoordigers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam, t.w. de heren J. van Hasselt en G. Key Jzn.;
tot lid-secretaris: het hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken.
Later werd nog in deze Commissie tot lid benoemd het toenmalige lid van de Zuiderzeeraad Dr. W. Lulofs, Directeur van het Gemeente-energiebedrijf.
De Commissie heeft enige rapporten uitgebracht, waarin beschouwingen werden gegeven met betrekking tot de volgende onderwerpen:
ontspanning, natuurschoon en tourisme, veranderingen in de ondergrondse waterhuishouding van Amsterdam, tengevolge van de droogmaking van de zuidelijke polders, de agrarische, industriële en commerciële belangen van Amsterdam bij de totstandkoming van de zuidelijke polders en de vermoedelijke omvang van de toekomstige scheepvaart tussen bedoelde polders en Amsterdam.
Deze rapporten worden door de Burgemeester o.m. ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van het Departement van Waterstaat en het Hoofd van de Dienst der Zuiderzeewerken. Dit document is een officieel uittreksel van een besluit van het Amsterdamse college van B&W uit 1950. Het betreft de formalisering en verslaglegging van de Gemeentelijke Zuiderzee-Commissie.
Kernpunten:
* Historische aanleiding: Het initiatief voor de commissie ontstond al eind 1940 (voorstel-Jansma), maar werd gedwarsboomd door de Tweede Wereldoorlog toen de bezetter de gemeenteraad ontbond.
* Doel: Het adviseren over en beschermen van de Amsterdamse belangen bij de inpoldering van de Zuidelijke IJsselmeerpolders (het huidige Flevoland).
* Samenstelling: Een breed ambtelijk en economisch overlegorgaan met vertegenwoordigers van Publieke Werken, Haven, Marktwezen, Waterleidingen, het Energiebedrijf en de Kamer van Koophandel.
* Onderwerpen: De commissie richtte zich op recreatie (toerisme), hydrologie (grondwaterstand in de stad), economie (landbouw en industrie) en scheepvaartverbindingen.
* Externe communicatie: De bevindingen werden gedeeld met het rijk (Waterstaat en Dienst der Zuiderzeewerken). De jaren '50 waren de hoogtijdagen van de Zuiderzeewerken. Na de drooglegging van de Noordoostpolder (1942) versverschoof de aandacht naar de Zuidelijke polders (Oostelijk Flevoland, Zuidelijk Flevoland en de nooit voltooide Markerwaard).
Voor de stad Amsterdam was dit project van cruciaal belang. De nieuwe polders boden kansen voor economische expansie en recreatie, maar vormden ook een risico voor de waterhuishouding van de oude stad (gevaar voor paalrot door veranderende grondwaterstanden) en de toegankelijkheid van de Amsterdamse haven.
Dit document illustreert de bureaucratische zorgvuldigheid waarmee de stad haar positie trachtte te waarborgen in dit nationale megaproject, terwijl het tegelijkertijd de bestuurlijke continuïteit na de oorlogsjaren laat zien. De verwijzing naar de "bezetter" markeert de breuklijn in de besluitvorming tussen 1940 en 1950.