Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 71
Dossier 93
Jaar 1941
Stadsarchief

Gedrukte pagina uit een officieel rapport of boekwerk (pagina 23).

Origineel

Gedrukte pagina uit een officieel rapport of boekwerk (pagina 23). bestaande land gelegen randkanalen tot het opnemen van de locale
scheepvaart en de afwatering van het aangrenzende gebied. In het
zuidwesten werd zoodanig tegen de Noordhollandsche kust aange-
sloten, dat een ruime watervlakte buiten het Buiten IJ openbleef.
De Staatscommissie van 1892 vereenigde zich met dit denkbeeld
van LELY ten aanzien van de zuidelijke polders; slechts verbreedde
zij het kanaal tot 5000 m en legde zij de zuidelijke aansluitingen iets
verder van het IJ af.
Het ontwerp voor de Zuiderzeewet van 1918 was gegrond op het
plan van de Staatscommissie. Een bindende omschrijving van de in
de afgesloten Zuiderzee te maken inpolderingen werd echter terug-
genomen bij de behandeling van de wet, zoodat de wetgever ten
aanzien van den vorm van de te maken polders volledige vrijheid liet.
Bij beschikking van 17 Juli 1918 werd, voornamelijk in verband
met de in het belang der militaire inundatie te treffen voorzieningen,
door den Minister van Waterstaat een commissie — de IJmeer-
commissie — ingesteld, met opdracht te onderzoeken, in hoeverre het
aanbeveling zal verdienen ter vervanging van de afsluiting van het IJ
bij Schellingwoude een afsluitdijk met de noodige sluizen te maken
in het kanaal, dat tusschen den Zuidwestelijken en den Zuidooste-
lijken polder zal worden opengelaten en het peil van de tusschen de
Noordhollandsche kust en laatstbedoelden afsluitdijk gelegen water-
oppervlakte te brengen op dat van het Noordzeekanaal. In haar ver-
slag beantwoordde de commissie deze vraag bevestigend.
Bij de behandeling van de Zuiderzeewet in de Tweede Kamer was
de motie-DE MURALT-BONGAERTS aangenomen, waarbij de Kamer als
haar oordeel uitsprak, dat de dijken van de inpolderingen zoodanige
afmetingen zullen moeten verkrijgen, dat zij in staat zullen zijn de te
verwachten hoogste stormvloeden te keeren, wanneer de afsluitdijk
gedurende geruimen tijd over groote lengte eventueel is doorgebroken
of de sluizen het begeven. Aangezien vroeger werd gedacht, dat de
IJsselmeerdijken slechts berekend zouden zijn om het water van dat
meer zelf te keeren, was het gevolg van voormelde motie, dat de
meerdijken zwaarder van constructie zouden worden en daardoor
kostbaarder. Hierdoor was het belang groot geworden om te trachten
op de kosten der meerdijken te bezuinigen.
Toen dan ook na de instelling van den Dienst der Zuiderzeewerken
de plannen daar in nadere studie werden genomen, bleek het aan-
stonds, dat op het plan, dat aan het wetsontwerp ten grondslag lag,
een belangrijke bezuiniging kon worden verkregen door een doorgaande
noordelijke waterkeering van de twee zuidelijke polders te maken met
23 Deze pagina biedt een historisch-technisch overzicht van de besluitvorming rondom de Zuiderzeewerken. De kernpunten zijn:

  1. Evolutie van de plannen: Het document beschrijft hoe de oorspronkelijke plannen van Lely (Staatscommissie 1892) de basis vormden voor de Zuiderzeewet van 1918, maar dat er ruimte werd gelaten voor aanpassingen in de vorm van de polders.
  2. Militaire en waterstaatkundige belangen: De instelling van de "IJmeer-commissie" in 1918 had een dubbel doel: het faciliteren van militaire inundaties (verdediging) en het optimaliseren van de waterhuishouding ten opzichte van het Noordzeekanaal.
  3. De Motie-De Muralt-Bongaerts: Dit is een cruciaal wetshistorisch detail. De motie eiste dat polderdijken veilig moesten zijn, zelfs als de hoofdafsluitdijk zou doorbreken. Dit leidde tot de noodzaak voor veel zwaardere en dus duurdere dijken, wat vervolgens weer leidde tot een zoektocht naar kostenbesparende ontwerpen door de Dienst der Zuiderzeewerken. Dit document is onderdeel van de uitgebreide verslaglegging rondom de Zuiderzeewerken, een van de grootste waterbouwkundige projecten uit de Nederlandse geschiedenis. De tekst illustreert het spanningsveld tussen politieke wensen (veiligheidseisen van de Tweede Kamer), militaire noodzaak en technische haalbaarheid/betaalbaarheid.

Opvallend is de "ghosting" (doorschijnen) van de voorgaande pagina. Hierop is een briefhoofd van de Gemeente Amsterdam te zien, gedateerd "11 December 1921", gericht aan een persoon met de initialen C.J.A. Dit suggereert dat dit gedrukte blad mogelijk afkomstig is uit een ambtelijke verzameling of een publicatie van de Amsterdamse Dienst der Publieke Werken, die nauw betrokken was bij de plannen vanwege de nabijheid van de stad bij het IJ en het IJmeer.

Samenvatting

Deze pagina biedt een historisch-technisch overzicht van de besluitvorming rondom de Zuiderzeewerken. De kernpunten zijn:

  1. Evolutie van de plannen: Het document beschrijft hoe de oorspronkelijke plannen van Lely (Staatscommissie 1892) de basis vormden voor de Zuiderzeewet van 1918, maar dat er ruimte werd gelaten voor aanpassingen in de vorm van de polders.
  2. Militaire en waterstaatkundige belangen: De instelling van de "IJmeer-commissie" in 1918 had een dubbel doel: het faciliteren van militaire inundaties (verdediging) en het optimaliseren van de waterhuishouding ten opzichte van het Noordzeekanaal.
  3. De Motie-De Muralt-Bongaerts: Dit is een cruciaal wetshistorisch detail. De motie eiste dat polderdijken veilig moesten zijn, zelfs als de hoofdafsluitdijk zou doorbreken. Dit leidde tot de noodzaak voor veel zwaardere en dus duurdere dijken, wat vervolgens weer leidde tot een zoektocht naar kostenbesparende ontwerpen door de Dienst der Zuiderzeewerken.

Historische Context

Dit document is onderdeel van de uitgebreide verslaglegging rondom de Zuiderzeewerken, een van de grootste waterbouwkundige projecten uit de Nederlandse geschiedenis. De tekst illustreert het spanningsveld tussen politieke wensen (veiligheidseisen van de Tweede Kamer), militaire noodzaak en technische haalbaarheid/betaalbaarheid.

Opvallend is de "ghosting" (doorschijnen) van de voorgaande pagina. Hierop is een briefhoofd van de Gemeente Amsterdam te zien, gedateerd "11 December 1921", gericht aan een persoon met de initialen C.J.A. Dit suggereert dat dit gedrukte blad mogelijk afkomstig is uit een ambtelijke verzameling of een publicatie van de Amsterdamse Dienst der Publieke Werken, die nauw betrokken was bij de plannen vanwege de nabijheid van de stad bij het IJ en het IJmeer.

Kooplieden in dit dossier 34

Amstelmeer met Amstelmeerkanaal en Waard- en Groetkanaal
Andere hakvruchten 375000 "
Andere handels- gewassen$^2$) 9375 "
Dorpskernen en industrieterreinen
Erven van gebouwen en lustplaatsen 2,2
Boonen 87500 "
Boonen 87500 "
Groenvoeder- Gewassen - $^3)$
Kanalen, vaarten en tochten
J. Zand ( 1,3)
A. Geboorte ( 1,3)
J. Zand (16,6)
A. Geboorte (16,6)
Lichte zavel
Lichte zavel (20,8)
A. Geboorte (20,8)
N.O.polder 47600
Onbelastbare eigendommen 3,3
B. Overige 3169
B. Overige 96250 "
B. Overige 43750 "
Overige handels- gewassen 1751$^4)$
Overige knol-, Wortel- en bolgewassen 50700
Rietland, kwelders, moeras 0,1
Wieringermeerdijk en Amstelmeerdijk
Z.O.polder 93700
Alle 34 kooplieden →