Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 79
Dossier 37
Jaar 1941
Stadsarchief

Gedrukte tekst, pagina's 38 en 39 uit een technisch/beleidsmatig rapport of boekwerk.

Origineel

Gedrukte tekst, pagina's 38 en 39 uit een technisch/beleidsmatig rapport of boekwerk. [Pagina 38]

zuidoosthoek. De hoogteverhoudingen in het hooge gedeelte zijn zoodanig, dat dit goed als één polderafdeeling met het peil van 5,50 m — N.A.P. kan worden bemalen, waarbij in het hoogste gebied het water in enkele tochten kan worden opgestuwd. Een verdeeling van den polder in twee afdeelingen met als grens globaal de dieptelijn van 3,80 m — N.A.P. was dus de eerste, in aanmerking komende oplossing. De hooge afdeeling I verkrijgt dan een oppervlakte van 27 750 ha, de lage afdeeling II van 29 500 ha. Daarnaast is mogelijk een verdeeling in drie afdeelingen.

Een kleiner aantal afdeelingen geeft in tweeërlei opzicht verhooging van de kosten. In de eerste plaats zullen de kanalen en tochten gemiddeld dieper in het land zijn ingesneden, zoodat het grondverzet grooter wordt. Daarenboven moet het water gemiddeld hooger worden opgemalen, wat een vergrooting van de capaciteit der motoren en van de jaarlijksche kosten voor drijfkracht meebrengt. Daartegenover staat, dat een sluis tusschen de afdeelingen, met inbegrip van de jaarlijksche bedieningskosten er van, wordt bespaard, terwijl ook het kanalennet kleiner kan worden. Een raming van deze factoren leidt tot de conclusie, dat de oplossing met twee afdeelingen duidelijk goedkooper is.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat het voor het scheepvaartverkeer een voordeel oplevert, wanneer het aantal afdeelingen wordt beperkt.

Op grond van het voorgaande werd besloten den polder in twee afdeelingen te verdeelen.

In het huidig stadium van voorbereiding van den polder behoeft de inrichting binnen de bedijking nóg niet aan de orde te worden gesteld. In de eerste plaats is dit een vraagstuk, dat uitgebreide en nauwgezette studie vereischt en in de tweede plaats heeft de ervaring geleerd, dat de oplossing, welke voor de inrichting van den polder wordt gekozen, weinig invloed op de kosten heeft. Wel is het van belang na te gaan, of bij den gekozen vorm van den polder behoorlijke toegangen voor het verkeer kunnen worden verkregen.

In zijn rapport over de kanalisatie van Westfriesland heeft Dr. Ir. RINGERS aangetoond, dat voor het scheepvaartverkeer in een zuivere landbouwstreek volstaan kan worden met vaarwegen geschikt voor schepen van het zoogenaamde 200—300-tons type. Deze stelling is ook aanvaard voor de beide vorige IJsselmeerpolders en zal zeker ook voor den Zuidwestelijken kunnen gelden. Zooals reeds werd aangegeven, zal de polder bovendien door één 600-tons kanaal worden doorgesneden, terwijl hij verder aan den rand, zoowel te Enkhuizen als langs

38

[Pagina 39]

het toekomstige middenkanaal en den vaarweg van het IJmeer tot de sluis bij Edam, voor schepen van 2000 ton bereikbaar zal zijn.

Het scheepvaartverkeer van den polder naar buiten zal in hoofdzaak drie richtingen hebben, nl. naar Amsterdam, naar Stavoren en Kornwerderzand en naar Lemmer, het Zwarte Water en den Ketel. Van deze richtingen zal ongetwijfeld die naar Amsterdam de belangrijkste zijn. De verbinding in de eerstgenoemde twee richtingen zal reeds verkregen worden door den 600-tons vaarweg met de sluizen te Edam en te Oosterleek. Voor aansluiting in de derde richting zal een sluis aan het middenkanaal moeten worden gebouwd. Deze drie sluizen vormen dus de noodzakelijke knooppunten van het scheepvaartverkeer in den polder met dat naar de omgevende landstreken. Evenals in den Noordoostelijken polder zou, wat de scheepvaartbelangen van den polder betreft, met drie toegangssluizen kunnen worden volstaan. Reeds is uiteengezet, dat met het oog op de locale belangen van Hoorn echter bovendien nog een toegangssluis tot den polder bij die stad noodzakelijk is.

De sluizen bij Hoorn en aan het middenkanaal zullen bestemd zijn voor het normale scheepvaartverkeer in den polder en dus dezelfde afmetingen verkrijgen als de toegangssluizen van den Noordoostelijken polder, zijnde 40 x 7 x 2,50 m. De sluizen te Edam en te Oosterleek zullen geschikt moeten zijn, niet alleen voor 600-tons schepen, maar ook voor het verwerken van het hier te verwachten drukke scheepvaartverkeer, bestaande uit het verkeer naar den polder en een gedeelte van het doorgaande verkeer van Amsterdam via Enkhuizen naar Stavoren en Kornwerderzand. Zoowel met het oog op het omvangrijke verkeer aldaar als op het verzekeren van de voortdurende bruikbaarheid van den vaarweg, zal het wel gewenscht blijken op beide punten twee sluizen te bouwen, één grootere en één kleinere, welke laatste bij niet druk verkeer en voor kleinere schepen gebruikt zal kunnen worden, teneinde de naar den polder afvloeiende hoeveelheid schutwater te beperken.

Zooals reeds is aangegeven, zal het 600-tons kanaal loopen van Edam naar Oosterleek. Van dezen vaarweg zal een poldervaart op Hoorn gericht moeten zijn. Verder zal een scheepvaartweg moeten uitloopen op de sluis aan het middenkanaal en, met het oog op het onderling verkeer in den polder, verbonden moeten worden met het 600-tons kanaal. Deze verbinding zal de grens tusschen de beide polderafdeelingen snijden, zoodat aldaar een binnensluis voor schepen van het 200—300-tons type gebouwd zal moeten worden.

39 * Polderindeling: Er wordt een kosten-batenanalyse gemaakt tussen een indeling in twee of drie afdelingen. De conclusie is dat twee afdelingen economisch voordeliger zijn vanwege minder grondverzet en lagere brandstofkosten voor bemaling, ondanks de kosten van een binnensluis.
* Waterbouwkundige details: De tekst noemt specifieke streefpeilen (-5,50 m N.A.P.) en dieptelijnen (-3,80 m N.A.P.).
* Scheepvaartklassen: Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie types vaarwegen:
1. Landbouwverkeer: 200-300 ton.
2. Hoofdverbindingen: 600 ton.
3. Grote vaarweg (IJmeer naar Edam): 2000 ton.
* Sluisconfiguratie: Er is aandacht voor efficiëntie door het voorstellen van dubbele sluizen (groot en klein) bij drukke punten om 'schutwater' (waterverlies tijdens het schutten) te minimaliseren. De tekst beschrijft de planningsfase van de Markerwaard (hier de "Zuidwestelijke polder" genoemd), een onderdeel van de Zuiderzeewerken. Hoewel de Markerwaard nooit als polder is voltooid, bieden deze pagina's inzicht in de grondige ingenieursbenadering van die tijd. De verwijzing naar Dr. Ir. J.A. Ringers is cruciaal; hij was een sleutelfiguur in de Nederlandse waterbouw en later minister. De vergelijking met de Noordoostpolder (drooggevallen in 1942) suggereert dat dit document rond diezelfde periode is geschreven, toen de plannen voor de resterende polders verder werden uitgewerkt. De genoemde locaties (Edam, Oosterleek, Hoorn) bevestigen dat het de beoogde polder voor de kust van Noord-Holland betreft.

Samenvatting

  • Polderindeling: Er wordt een kosten-batenanalyse gemaakt tussen een indeling in twee of drie afdelingen. De conclusie is dat twee afdelingen economisch voordeliger zijn vanwege minder grondverzet en lagere brandstofkosten voor bemaling, ondanks de kosten van een binnensluis.
  • Waterbouwkundige details: De tekst noemt specifieke streefpeilen (-5,50 m N.A.P.) en dieptelijnen (-3,80 m N.A.P.).
  • Scheepvaartklassen: Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie types vaarwegen:
    1. Landbouwverkeer: 200-300 ton.
    2. Hoofdverbindingen: 600 ton.
    3. Grote vaarweg (IJmeer naar Edam): 2000 ton.
  • Sluisconfiguratie: Er is aandacht voor efficiëntie door het voorstellen van dubbele sluizen (groot en klein) bij drukke punten om 'schutwater' (waterverlies tijdens het schutten) te minimaliseren.

Historische Context

De tekst beschrijft de planningsfase van de Markerwaard (hier de "Zuidwestelijke polder" genoemd), een onderdeel van de Zuiderzeewerken. Hoewel de Markerwaard nooit als polder is voltooid, bieden deze pagina's inzicht in de grondige ingenieursbenadering van die tijd. De verwijzing naar Dr. Ir. J.A. Ringers is cruciaal; hij was een sleutelfiguur in de Nederlandse waterbouw en later minister. De vergelijking met de Noordoostpolder (drooggevallen in 1942) suggereert dat dit document rond diezelfde periode is geschreven, toen de plannen voor de resterende polders verder werden uitgewerkt. De genoemde locaties (Edam, Oosterleek, Hoorn) bevestigen dat het de beoogde polder voor de kust van Noord-Holland betreft.

Kooplieden in dit dossier 34

Amstelmeer met Amstelmeerkanaal en Waard- en Groetkanaal
Andere hakvruchten 375000 "
Andere handels- gewassen$^2$) 9375 "
Dorpskernen en industrieterreinen
Erven van gebouwen en lustplaatsen 2,2
Boonen 87500 "
Boonen 87500 "
Groenvoeder- Gewassen - $^3)$
Kanalen, vaarten en tochten
J. Zand ( 1,3)
A. Geboorte ( 1,3)
J. Zand (16,6)
A. Geboorte (16,6)
Lichte zavel
Lichte zavel (20,8)
A. Geboorte (20,8)
N.O.polder 47600
Onbelastbare eigendommen 3,3
B. Overige 3169
B. Overige 96250 "
B. Overige 43750 "
Overige handels- gewassen 1751$^4)$
Overige knol-, Wortel- en bolgewassen 50700
Rietland, kwelders, moeras 0,1
Wieringermeerdijk en Amstelmeerdijk
Z.O.polder 93700
Alle 34 kooplieden →