Gedrukte tekst, waarschijnlijk afkomstig uit een ambtelijk rapport of een publicatie over de Zuiderzeewerken.
Origineel
Gedrukte tekst, waarschijnlijk afkomstig uit een ambtelijk rapport of een publicatie over de Zuiderzeewerken. [Pagina 40]
Uit het voorgaande is gebleken, dat bij den algemeenen opzet van den polder, een behoorlijke toegang voor de scheepvaart naar den polder kan worden verkregen. Hoe de scheepvaart in den polder verder zal moeten worden geleid, is een vraagstuk, dat nader bij het uitwerken van het verkavelingsplan zal moeten worden.
In de tweede plaats moet worden nagegaan, of ook behoorlijke toegangen voor het landverkeer naar den polder mogelijk zijn. Aangewezen toegangspunten voor het landverkeer zijn gelegen bij de Nes, bij Edam, bij Hoorn en bij Enkhuizen. Verder zal het aangewezen zijn nabij Warder een toegang te maken in aansluiting aan den provincialen weg van Oosthuizen naar Alkmaar. De afstand tusschen Hoorn en Enkhuizen is te groot om den polder hier zonder verbinding met het aangrenzende land te laten. Elke verbinding zal hier echter het randkanaal, hetzij dit binnendijks, hetzij dit buitendijks wordt gebouwd, moeten overschrijden, hetgeen den toegang kostbaar maakt. Voorloopig schijnt één toegang bij Oosterleek het meest aangewezen. Van hier kunnen gemakkelijk de in het zuidelijk deel van Westfriesland gelegen dorpen worden bereikt, terwijl verder de gelegenheid zal bestaan om in noordelijke richting een verbinding naar Medemblik tot stand te brengen, en de belangrijke tuinbouwcentra van Westfriesland te bereiken. Op de aangegeven wijze zullen alle belangrijke centra van het omliggende gebied gemakkelijk toegankelijk zijn.
Wanneer de Zuidoostelijke polder gereed zal zijn gekomen, zal ook rekening gehouden moeten worden met het verkeer uit dien polder naar den Zuidwestelijken.
Bij het opmaken van het verkavelingsplan van den polder zal ook hieraan aandacht zijn te schenken, zoomede aan mogelijke doorgaande wegen, welke na het gereedkomen der zuidelijke polders in het Rijkswegenplan zullen worden opgenomen, alsook aan eventueele nieuwe spoorwegverbindingen.
Uit het voorgaande blijkt, dat bij den ontwikkelden vorm van den polder ook voor het landverkeer zeer voldoende toegangen gemaakt zullen kunnen worden, welke het nieuwe gebied in nauw contact zullen kunnen brengen met het oude omliggende land en de daarin gelegen belangrijke centra van bedrijf en cultuur, zoomede met den toekomstigen Zuidoostelijken polder en het daarachter gelegen gebied.
Raming van kosten. Volgens het in 1938 vastgestelde, zg. versnelde werkplan voor de inpolderingen in het IJsselmeer, is voor den
40
[Pagina 41]
Zuidwestelijken polder gerekend op een periode van 6 jaar voor de bedijking c.a. en het droogmalen en op 7 jaar voor de werken binnen de bedijking, de ontginning en de kolonisatie. Verwacht moet worden dat het tengevolge van de huidige moeilijke omstandigheden niet zal gelukken dit tijdschema aan te houden. Het is zeker niet te pessimistisch om den duur der uitvoering van den Zuidwestelijken polder op 15 jaar te stellen.
Bij de heerschende onzekerheid omtrent het beschikbaar zijn van materieel en materialen en omtrent het verloop van den loonstandaard en van de prijzen van materieel en materialen, is het uitgesloten een raming te maken van hetgeen de polder na het gereedkomen over 15 jaar zal hebben gekost. Even onzeker is de waarde, welke de verkregen nieuwe cultuurgrond dan zal bezitten en de voorloopige opbrengsten der gronden gedurende de periode van het cultuurrijp maken. De uitvoering van het werk onder de huidige omstandigheden brengt een financieel risico mee, dat niet worden begroot, maar door de Regeering bij het besluit tot het voortzetten der werken is aanvaard, met het oog op de nationale belangen, welke door de uitvoering zullen worden gebaat. Kan dus een kostenraming van het werk in den gebruikelijken zin thans niet worden gemaakt, toch is het gewenscht zooveel mogelijk een beeld te verkrijgen van de intrinsieke waarde van het werk, afgezien van den invloed van de huidige abnormale omstandigheden.
Dit kan het best worden bereikt door uit te gaan van de min of meer gestabiliseerde prijzen van vóór het uitbreken van den oorlog. Daarom is een kostenraming opgezet, gebaseerd op het prijspeil van 1939 en op dezelfde wijze ingericht als die, opgenomen in de Nota betreffende den Noordoostelijken polder, gevoegd bij de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag nopens de begrooting van het Zuiderzeefonds voor het jaar 1936.
Het bedoelde prijspeil ligt eenigszins hooger dan dat, hetwelk in de jaren 1936—1939 voor den Noordoostelijken polder heeft gegolden. Gedeeltelijk wordt dit veroorzaakt door omstandigheden, die onafhankelijk zijn van de conjunctuur, zooals b.v. het feit, dat de loonstandaard in de aan den Zuidwestelijken polder grenzende gebieden hooger is dan die in de kuststreek tusschen Lemmer en Kampen. Bovendien is overwogen, dat verschillende werken voor den Noordoostelijken polder zijn uitgegeven tegen lage prijzen, waarop ook bij een normale politieke en economische ontwikkeling niet steeds kan worden gerekend.
41
--- Deze tekst betreft de planologische en financiële voorbereiding van de Zuidwestelijke polder (de later beoogde Markerwaard).
- Infrastructuur: De tekst beschrijft nauwkeurig hoe de polder ontsloten moet worden voor landverkeer. Er wordt gezocht naar logische aansluitpunten bij bestaande Noord-Hollandse steden als Edam, Hoorn en Enkhuizen. Opvallend is de overweging om een spoorwegverbinding aan te leggen en de polder te verbinden met de nog aan te leggen Zuidoostelijke polder (Flevoland).
- Economische context: De tekst ademt de sfeer van de Tweede Wereldoorlog. Er wordt gesproken over "huidige moeilijke omstandigheden" en "abnormale omstandigheden", waardoor de planning van 13 naar 15 jaar wordt bijgesteld. De inflatie en schaarste maken een actuele kostenraming onmogelijk, waardoor men teruggrijpt op het stabiele prijspeil van 1939.
- Vergelijking: De auteur vergelijkt de kosten en loonstandaarden met die van de Noordoostpolder, waarbij wordt opgemerkt dat de kosten in het westen (Noord-Holland) hoger liggen dan in het oosten (de kuststrook Lemmer-Kampen).
--- Het document is een belangrijk historisch bewijsstuk voor de ambitieuze plannen rondom de Zuiderzeewerken. De Zuidwestelijke polder (Markerwaard) was oorspronkelijk bedoeld als de vierde grote polder. Hoewel de Noordoostpolder (1942) en de Flevopolders (1957/1968) wel zijn gerealiseerd, is de Markerwaard er nooit gekomen. Na decennia van discussie werd het project in 2003 definitief afgeblazen.
Het feit dat men tijdens de oorlogsjaren doorging met het maken van deze gedetailleerde plannen en berekeningen, getuigt van het grote nationale belang dat de regering hechtte aan landaanwinning en voedselvoorziening, zelfs in tijden van bezetting en economische malaise. De genoemde verbindingen bij Oosterleek en Enkhuizen kwamen er deels wel, maar dan in de vorm van de Houtribdijk (1976), die nu de grens vormt tussen het Markermeer en het IJsselmeer.