Getypte rapportpagina (pagina 5) met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte rapportpagina (pagina 5) met handgeschreven kanttekeningen. 2 november 1942 (gebaseerd op handgeschreven aantekening). [Handgeschreven in rood, linksboven:] Wijzigingsblad
[Handgeschreven in rood/bruin, rechtsboven:] Ingekomen per omgaande / 2 Nov. ’42
--5--
sen per ha zich in de toekomst vermoedelijk in zekere mate zal voort-zetten. Dit zal zich dan ongetwijfeld ook voelbaar maken in de jonge poldergebieden, waar doelmatige verkaveling en rationeele inrichting van bedrijfsgebouwen, alsmede de mentaliteit der kolonisten bij uit-stek gunstig zijn voor de toepassing van nieuwe landbouwmethoden.
De vraag rijst thans, welk deel van de productie voor eigen ge-bruik in den polder zal worden aangewend en welk deel zal worden afge-voerd. Men kan in het algemeen zeggen, dat de omvang van den afvoer meer met dien van de productie zal samenvallen naarmate de cultuur in de betrokken streek eenzijdiger is.
Waar de graanbouw in monocultuur wordt uitgeoefend, zal vrijwel de geheele productie worden afgevoerd. Waar daarentegen, zooals op de zand- en lichte zavelgronden, het gemengde bedrijf overheerscht, wordt de opbrengst van het bouwland goeddeels aan het vee vervoederd. Zoo zal de voor afvoer in aanmerking komende akkerbouwproductie van de ± 10000 ha zandigen bouwgrond in den Zuidwestpolder niet groot zijn en de in het bovenstaande op 40000 ton geraamde melkproductie van de 10000 ha weiland in dit gebied zal vermoedelijk grootendeels in ter plaatse te stichten zuivelfabrieken worden verwerkt tot enkele duizen-den tonnen boter en kaas.
In de Haarlemmermeer, waar het grasland 1/5 van de oppervlakte van het bouwland beslaat, wordt, zooals in het bovenstaande werd vermeld, 1/4 à 1/5 van de landbouwproductie in den polder zelf verbruikt; het be-treft hier producten als aardappelen, stroo, zaden, klaver, lucerne, voederbieten, enz. In de Zuidelijke Zuiderzeepolders, met verhoudings-gewijs minder grasland, zal het eigen verbruik een kleinere plaats in-nemen. Men zal het goeddeels kunnen compenseeren met den op het produc-tiecijfer te leggen toeslag voor plantendeelen, zooals bieterkoppen, blad, loof e.d., die wel vervoerd doch niet in de opbrengstcijfers be-grepen worden. Onze berekening leidt ons derhalve tot de uitkomst, dat de afvoer van de beide Zuidelijke Zuiderzeepolders niet in de eerste jaren van de exploitatie, doch op den duur, op ongeveer 2000000 ton ’s jaars gesteld moet worden. Bij het noemen van dit cijfer moet een voorbehoud worden gemaakt met betrekking tot de mogelijkheid van de vestiging van landbouwindustrieën in den polder; immers, zulke indu-strieën zouden een deel van de productie (suikerbieten, aardappelen) verwerken tot consumptiegoederen met veel geringer gewicht dan de ge-bezigde plantaardige grondstoffen. Zouden de in de polders te verbouwen suikerbieten aldaar tevens industrieel verwerkt worden, dan zou dit het kwantum af te voeren goederen met ongeveer 500000 ton verminderen.
A 2. De totale omvang van den aanvoer van goederen.
In het voorgaande bleek, dat in een landbouwstreek de raming van de agrarische productie een goeden grondslag vormt voor een schatting van den omvang van den afvoer van goederen. De schatting van den aan-voer biedt grootere moeilijkheden. Wij kennen in ons land geen ver-voersstatistiek, waaruit voor de gezamenlijke vervoerswijzen de totale omvang van den aanvoer van goederen in streken van verschillende struc-tuur kan worden gekend. Daarom moeten wij van incidenteeele gegevens en van verschillende ramingen gebruik maken.
In het reeds genoemde rapport over de kanalisatie van Westfries-land geeft Ir. Ringers de volgende cijfers, die door hem werden afge-leid en geschat in overleg met deskundigen uit de streek zelf:
aanvoer van brandstoffen | 60000 ton;
" " bouwmaterialen | 60000 " ;
" " meststoffen | 43000 " ;
" " stroo en hooi | 3200 " ;
" " veevoeder | 10000 " ;
" " levensmiddelen, gereed- |
schappen, huishoudelijke artikelen | 50000 " ;
totaal | 226000 ton.
Voor een streek ter oppervlakte van 67000 ha en met toen 125000 in-woners (w.o. 43000 in Hoorn, Alkmaar en Enkhuizen) komt dit neer op 3 1/3 ton per ha en op bijna 2 ton per inwoner.
Ir. J.C. Ramaer schatte^1) op grond van de genoemde studies van
^1) Het goederenverkeer in Nederland in de laatste jaren, Tijdschrift van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap 1926, blz. 331; in de Ingenieur van 18 Juli 1925, blz. 608, noemde Ir. Ramaer andere, later door hem gecor-rigeerde cijfers. * Economische Planning: Het document is een technisch-economische analyse van de logistieke stromen in de nieuwe polders. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen monocultuur (hoge afvoer van ruwe producten) en gemengde bedrijven (waarbij producten intern worden vervoederd).
* Industrialisatie: De auteur merkt op dat het vestigen van fabrieken (zoals suikerbiet-verwerking) in de polder de transportdruk aanzienlijk kan verlagen (een reductie van 500.000 ton), omdat eindproducten lichter zijn dan grondstoffen.
* Methodologie: Vanwege een gebrek aan centrale vervoersstatistieken in de jaren '40, baseerden planners zich op extrapolaties van bestaande gebieden zoals West-Friesland en de Haarlemmermeer.
* Taalgebruik: Typisch zakelijk-ambtelijk Nederlands uit de eerste helft van de 20e eeuw (bijv. "zooals", "rationeele", "gebezigde"). Dit document maakt deel uit van de voorbereidende studies voor de inrichting van de IJsselmeerpolders (de Zuiderzeewerken). Hoewel de datum 1942 midden in de Tweede Wereldoorlog valt, gingen de werkzaamheden en de planvorming voor de Noordoostpolder en de latere Zuidelijke polders (Flevoland) onder de Directie van de Wieringermeer en de Dienst der Zuiderzeewerken gewoon door.
De genoemde Ir. Ringers (Johan Ringers) was een invloedrijk waterbouwkundig ingenieur en later minister. De referentie naar de "kolonisten" duidt op de boeren die zorgvuldig werden geselecteerd om de nieuwe gronden in cultuur te brengen. Dit document hielp bij het bepalen van de benodigde infrastructuur (wegen, kanalen, spoorwegen) voor het toekomstige goederenverkeer.